Belanghebbende, een onderneming die medische producten levert, werd door de Inspecteur naheffingsaanslagen opgelegd voor verpakkingenbelasting over de jaren 2008 tot en met 2011 met betrekking tot infuuszakken gevuld met infuusvloeistof. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of infuuszakken als belaste verpakkingen moeten worden aangemerkt volgens de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm). Belanghebbende stelde dat de infuuszakken niet als verpakkingen konden worden beschouwd omdat zij volgens haar voldoen aan de zogenaamde 'tenzij-clausule', die producten uitsluit die integraal deel uitmaken van een ander product en samen gebruikt, verbruikt of verwijderd worden.
Het hof oordeelde dat de infuuszakken wel degelijk een verpakkingsfunctie vervullen, met name een beschermings- en transportfunctie, en dat de infuusvloeistof wordt verbruikt, maar de zak zelf niet. De uitleg van de wetgever en de wetsgeschiedenis ondersteunen deze ruime interpretatie van het begrip verpakking. Ook het subsidiaire standpunt dat infuuszakken op de exotenlijst zouden moeten staan, werd verworpen omdat de ministeriële regeling injectiespuiten wel, maar infuuszakken niet omvat.
Verder verwierp het hof het beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat infuuszakken en injectiespuiten wezenlijk verschillen in functie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de naheffingsaanslagen inclusief heffingsrente werden bevestigd.