Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak staat het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de kinderrechter centraal, waarbij de machtiging tot uithuisplaatsing en wijziging van het verblijf van haar minderjarige kind is toegekend aan de gecertificeerde instelling (GI).
De moeder is alleen belast met het gezag over het kind, dat sinds 2014 onder toezicht staat en in een netwerkpleeggezin verbleef. De GI verzocht om toestemming voor overplaatsing naar een neutraal pleeggezin, welke toestemming door de kinderrechter werd verleend. De moeder verzet zich tegen deze wijziging en wil dat haar kind terugkeert naar haar verzorging.
Het hof oordeelt dat het hoger beroep niet geschikt is om de uithuisplaatsing te beëindigen of te wijzigen, omdat daarvoor een specifieke procedure bestaat onder artikel 1:265d BW. De moeder kan via die weg een verzoek indienen bij de GI en eventueel in beroep gaan bij de kinderrechter. Het hof constateert dat het netwerkpleeggezin niet langer kan zorgen en dat de moeder met haar beroep feitelijk de beëindiging van de uithuisplaatsing nastreeft, wat niet binnen dit hoger beroep past.
Daarom faalt het hoger beroep en wordt de bestreden beschikking bekrachtigd. De moeder krijgt niet de toestemming om de verblijfplaatswijziging te voorkomen of het kind terug te plaatsen. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2016 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van de moeder af en bekrachtigt de beschikking tot machtiging uithuisplaatsing en verblijfwijziging.