Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De motivering van de beslissing in hoger beroep
- [appellant] heeft tegen de beslissing van de gemeente Maastricht van 23 juli 2015 met behulp van zijn advocaat, mr. H. de Boer, bezwaar gemaakt. Bij beslissing van 25 november 2015 is dit bezwaar ongegrond verklaard. Op advies van mr. De Boer heeft [appellant] besloten geen beroep bij de rechtbank in te stellen, omdat - met de kennis van nu - niet betoogd kan worden dat de bijstandsuitkering terecht is uitbetaald aan [de partner].
- [appellant] heeft tot aan het verhoor door twee sociaal rechercheurs op 21 juli 2015, nooit begrepen dat hij iets fout deed. Met name is hem toen pas duidelijk geworden dat [de partner] sinds 1 januari 2012 haar hoofdverblijf had op zijn adres. In de visie van [appellant] kreeg [de partner] terecht een bijstandsuitkering van de gemeente Maastricht omdat zij daar haar vaste lasten had voor haar woning. [appellant] profiteerde daar niet van.
- Volgens de Hoge Raad (HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0455) is een tussentijdse beëindiging op grond van artikel 350 lid 3 sub c Faillissementswet Pro (Fw) slechts dan geïndiceerd als de schuldenaar een verwijt valt te maken. [appellant] bepleit dat deze maatstaf ook dient te gelden voor het laten ontstaan van bovenmatige nieuwe schulden. [appellant] wist weliswaar dat zijn partner een bijstandsuitkering genoot en dat zij daarvan onder meer haar vaste lasten van haar woning in Maastricht betaalde, maar [appellant] heeft geen moment beseft dat die uitkering door de veelvuldige aanwezigheid van [de partner] bij hem in [plaatsnaam] onterecht zou zijn uitbetaald en al helemaal niet dat hij hierdoor mede aansprakelijk zou worden gesteld voor de terugbetaling van de onterecht genoten uitkering. Ook in de perioden waarin [appellant] een aanvullende bijstandsuitkering nodig had, heeft niemand hem er ooit op gewezen dat hij in de problemen zou komen als zijn Maastrichtse vriendin te vaak bij hem zou verkeren. Nu hem ter zake geen verwijt valt te maken, dient de schuldsaneringsregeling niet voortijdig te worden beëindigd.
- Uit de verslagen van de bewindvoerder blijkt dat [appellant] zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling steeds goed is nagekomen. Toen hij in september 2015 zijn baan buiten zijn schuld kwijtraakte, heeft hij ruimschoots voldaan aan de sollicitatieplicht. De afdracht- en informatieplicht komt [appellant] correct na.