ECLI:NL:GHARL:2016:5214

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 juni 2016
Publicatiedatum
27 juni 2016
Zaaknummer
WAHV 200.156.496
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 WAHV
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor verboden inhaalmanoeuvre ondanks adresgeschil

Betrokkene werd door een verbalisant beboet voor het rechts inhalen op een plek waar dit verboden is, terwijl hij stelde niet de bestuurder te zijn en op het moment van de overtreding elders te zijn. De verbalisant had de overtreding waargenomen en direct vastgesteld wie de bestuurder was, ondanks dat het kenteken op naam van een ander stond.

Betrokkene voerde aan de uitnodiging voor de zitting niet te hebben ontvangen vanwege een adreswijziging, maar het hof oordeelde dat de oproep naar het juiste adres was gestuurd en dat het op de betrokkene rust om adreswijzigingen door te geven. De ambtsedige verklaring van de verbalisant werd als betrouwbaar beschouwd, en de stellingen van betrokkene onvoldoende onderbouwd.

Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter dat betrokkene de overtreding heeft begaan en de sanctie terecht is opgelegd. De procedure benadrukt het belang van correcte adresgegevens en de bewijskracht van ambtsedige verklaringen in bestuursrechtelijke verkeersovertredingen.

Uitkomst: Het hof bevestigt de boete van €220 voor verboden inhalen en wijst het beroep van betrokkene af.

Uitspraak

WAHV 200.156.496
27 juni 2016
CJIB 171668915
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam
van 11 augustus 2014
betreffende
[betrokkene ] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. In hoger beroep klaagt de betrokkene erover dat hij de uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter nooit heeft ontvangen, omdat deze naar een verkeerd adres is gestuurd.
2. Het hof stelt voorop dat artikel 12, eerste lid, van de WAHV voorschrijft dat de kantonrechter, alvorens te beslissen, partijen en in de gelegenheid stelt om op een door de kantonrechter bepaalde dag en uur op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. De oproep aan degene die het beroep heeft ingesteld wordt gericht aan het in het beroepschrift vermelde adres.
3. In het dossier bevindt zich een kopie van een aan de betrokkene gerichte brief van de griffier van de rechtbank van 30 juni 2014 waarbij de betrokkene wordt meegedeeld dat het door hem ingestelde beroep zal worden behandeld ter zitting van 11 augustus 2014 en dat de betrokkene daar desgewenst kan verschijnen voor het geven van een nadere toelichting. Deze brief is gericht aan het adres [adres] . In zijn beroepschrift aan de kantonrechter heeft de betrokkene geen adres vermeld. Wel heeft de betrokkene als bijlage bij zijn beroepschrift een afschrift van de beslissing van de officier van justitie gevoegd, waarop voornoemd adres vermeld staat. Dit adres is tevens gebruikt door de CVOM die bij brief van 24 februari 2014 de ontvangst van het beroepschrift aan de kantonrechter heeft bevestigd en de betrokkene heeft gemaand om zekerheid te stellen, hetgeen de betrokkene op 6 maart 2014 heeft gedaan. Aldus stelt het hof vast dat de oproep is verzonden naar het juiste adres van de betrokkene.
4. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat niet blijkt dat de uitnodiging voor de zitting van de kanonrechter als onbestelbaar is teruggezonden en dat de stukken ook overigens niets behelzen waaruit kan volgen dat die uitnodiging de betrokkene niet heeft bereikt, gaat het hof ervan uit dat de betrokkene de oproep heeft ontvangen.
5. Voor zover de betrokkene de oproep niet heeft ontvangen, omdat hij gedurende de procedure bij de kantonrechter is verhuisd, hetgeen zou kunnen worden afgeleid uit het feit dat de betrokkene in zijn hoger beroepschrift een ander adres vermeldt dan het hiervoor genoemde, overweegt het hof dat gedurende een procedure van een betrokkene mag worden verlangd dat hij een adreswijziging opgeeft aan de instantie die bevoegd is om over de zaak te oordelen (vgl. arrest Hof Leeuwarden van 1 mei 2002, VR 2002, 171, ECLI:NL:GHLEE:2002:AE3467, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). Nu de rechtbank geen adreswijziging heeft ontvangen, acht het hof het niet aannemelijk dat de betrokkene een adreswijziging aan de rechtbank heeft opgegeven. Aldus komt het voor rekening van de betrokkene dat de oproep voor de zitting van de kantonrechter hem niet heeft bereikt.
6. Met betrekking tot de gedraging heeft de betrokkene aangevoerd dat de auto niet op zijn naam staat en hij ten tijde van de gedraging ook niet in de auto aanwezig was. Die dag was namelijk zijn verlovingsdag en was hij vanaf 12.00 uur in [plaats] , wat kan worden bevestigd door meer dan 10 getuigen. Het is dus onmogelijk dat hij in [plaats] een verkeersovertreding heeft begaan.
7. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 220,- opgelegd ter zake van “Rechts inhalen waar dat is verboden”, welke gedraging zou zijn verricht op 20 april 2013 om 15.10 uur op de Rijksweg A16 te [plaats] met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
8. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
9. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:
"Gedragingsgegevens: Betrokkene ging 4 maal bumperklevend achter voertuigen rijden en haalde die vervolgens rechts in. Vervolgens sneed hij de voertuigen af en ging voor hen rijden.
Opmerkingen ambtenaar: Voertuig niet staande kunnen houden ivm burgervoertuig.
Betrokkene is ambtshalve bekend."
10. De ambtsedige verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het aanvullend proces-verbaal d.d. 24 september 2013, houdt onder meer het volgende in:
"Op 20 april 2013 omstreeks 15.10 uur reed ik in mijn eigen personenauto. Op de Rijksweg A16 te [plaats] zag ik de mij ambtshalve bekende [betrokkene ] diverse verkeersovertredingen begaan en verkeersgevaarlijk gedrag vertonen. Gezien de ernst van de manier waarop hij deze overtredingen pleegde heb ik besloten om hier een bekeuring voor uit te schrijven.
Nadat ik het voertuig een dag later in het kentekenregister had nagetrokken bleek het voertuig niet op naam van [betrokkene ] te staan. Omdat bij het uitschrijven van een bekeuring op kenteken de bekeuring bij de te naam gestelde terecht zou komen heb ik ervoor gekozen om de personalia van [betrokkene ] op het proces-verbaal te vermelden."
11. Uit bovengenoemde verklaring volgt dat de verbalisant door middel van eigen waarneming heeft vastgesteld dat de betrokkene de bestuurder was van het voertuig waarmee de gedraging heeft plaatsgevonden. Hetgeen de betrokkene hier tegenover heeft gesteld, te weten de - overigens niet nader onderbouwde - stelling dat hij op het moment van de gedraging niet in [plaats] was en de gedraging dus niet kan hebben verricht, is onvoldoende om voormelde ambtsedige verklaring van de verbalisant als ongeloofwaardig terzijde te stellen. Nu ook overigens uit het dossier niet blijkt van voor deze zaak specifieke feiten en omstandigheden die aan leiding geven tot twijfel aan voormelde verklaring van de verbalisant, staat naar de overtuiging van het hof vast dat de betrokkene de gedraging heeft verricht.
12. De omstandigheid dat het kenteken van de auto niet op naam van de betrokkene in het kentekenregister is ingeschreven, is in de onderhavige zaak niet relevant, aangezien de sanctie niet aan de betrokkene is opgelegd als kentekenhouder, maar als bestuurder. Door de verbalisant is immers aanstonds vastgesteld wie de bestuurder was van het voertuig waarmee de gedraging is verricht, zodat de sanctie aan de bestuurder kon worden opgelegd.
13. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.