De werknemer was sinds 3 juli 2006 in dienst als chauffeur en werd op 4 november 2013 arbeidsongeschikt verklaard. Na het tweede ziektejaar, waarin de loondoorbetalingstermijn verstreek, vroeg de werknemer ontbinding van de arbeidsovereenkomst met toekenning van een transitievergoeding. De werkgever weigerde de transitievergoeding te betalen en bood een vaststellingsovereenkomst aan, die de werknemer niet tekende.
De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2016 maar wees de transitievergoeding af, omdat geen ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever was vastgesteld. De werknemer ging in hoger beroep en stelde dat de werkgever de arbeidsovereenkomst bewust niet wilde beëindigen om betaling van de transitievergoeding te vermijden.
Het hof oordeelde dat ook als de werkgever dit als reden had, dit niet kwalificeerde als ernstig verwijtbaar handelen. Er bestaat geen verplichting om de arbeidsovereenkomst direct na afloop van de loondoorbetalingstermijn te beëindigen. De grieven van de werknemer falen en het hoger beroep wordt verworpen. Daarnaast is overwogen dat de werknemer niet in de gelegenheid is gesteld zijn verzoek tot ontbinding in te trekken, maar dat dit alleen voor de eerste aanleg geldt en niet voor hoger beroep.
De werknemer werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De arbeidsovereenkomst blijft ontbonden zonder toekenning van de transitievergoeding.