Verdachte werd ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 5 juni 2015 te Utrecht niet had voldaan aan de verplichting om medewerking te verlenen aan het nemen van vingerafdrukken, opgelegd krachtens artikel 55c lid 2 Sv. De tenlastelegging was gebaseerd op artikel 447e Sr, dat het niet voldoen aan een dergelijke verplichting strafbaar stelt.
Het hof overwoog dat artikel 55c lid 2 Sv wel de bevoegdheid aan ambtenaren geeft om vingerafdrukken te nemen, maar niet expliciet een verplichting voor de verdachte inhoudt om hieraan mee te werken. Het lex certa-beginsel vereist dat strafbepalingen voldoende duidelijk en voorzienbaar zijn voor burgers. Het hof vond dat deze verplichting niet in de wetstekst of jurisprudentie kon worden gelezen.
Hoewel de wetsgeschiedenis aanwijzingen bevatte dat de wetgever een medewerkingsplicht voor ogen had, achtte het hof dit onvoldoende om deze verplichting in te lezen. Het systeem van de wet laat zien dat medewerkingsverplichtingen expliciet worden geformuleerd wanneer die bestaan. Daarom vernietigde het hof het vonnis en sprak verdachte vrij van de tenlastelegging.