Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
derde lid, Sv."
4.Beslissing
17 april 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van het Openbaar Ministerie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin verdachte werd vrijgesproken van het niet voldoen aan de verplichting tot medewerking aan het nemen van vingerafdrukken op grond van artikel 55c lid 2 Sv.
Het hof oordeelde dat artikel 55c lid 2 Sv de verdachte geen strafrechtelijke verplichting oplegt tot medewerking aan het nemen van vingerafdrukken, mede gelet op het lex certa-beginsel, de wetsgeschiedenis, en het systeem van de wet. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de bevoegdheid van opsporingsambtenaren om vingerafdrukken te nemen niet gelijkstaat aan een verplichting voor de verdachte om hieraan medewerking te verlenen.
De memorie van toelichting en wetsgeschiedenis tonen weliswaar een intentie tot strafbaarstelling van het niet afstaan van vingerafdrukken, maar artikel 55c lid 2 en 3 Sv zelf bevatten geen expliciete verplichting. Het hof en de Hoge Raad wijzen op het belang van duidelijke wettelijke grondslagen bij strafbaarstellingen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de vrijspraak van verdachte.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het niet-medewerken aan het nemen van vingerafdrukken op grond van artikel 55c lid 2 en 3 Sv niet strafbaar is onder artikel 447e Sr.