Belanghebbende is eigenaar van twee woningen uit 1904 gelegen aan de [a-straat] O.Z. 40 en 41 te [Z], die te maken hebben met bodem- en grondwaterverontreiniging veroorzaakt door lekkage van een ondergrondse tank bij een naastgelegen bedrijfspand. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarden voor de jaren 2011 tot en met 2013 vast en hield rekening met een waardedrukkend effect van 25% vanwege de verontreiniging. Belanghebbende betwistte deze waarderingen en stelde dat de woningen vanwege de verontreiniging nagenoeg onverkoopbaar zijn en dat de saneringskosten tot negatieve waarden zouden moeten leiden.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Het hof heeft de stukken, taxatierapporten, bodemonderzoeken en verkoopgegevens van vergelijkbare verontreinigde en niet-verontreinigde panden bestudeerd. Uit de rapporten blijkt dat er geen actuele gezondheidsrisico’s zijn en dat de saneringsdoelstellingen niet volledig zijn gehaald, maar dat de verontreiniging niet leidt tot een wezenlijke waardevermindering boven de gehanteerde 25% aftrek.
Het hof oordeelt dat de heffingsambtenaar de bewijslast voldoende heeft voldaan met onderbouwde taxaties en vergelijkingsobjecten. De stellingen van belanghebbende over onbewoonbaarheid en onverhuurbaarheid worden niet gevolgd, mede omdat belanghebbende zelf in een van de woningen woont en er geen acute risico’s zijn. Het verzoek om deskundigen aan te stellen voor saneringskosten wordt afgewezen omdat belanghebbende niet aansprakelijk is voor deze kosten. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank bevestigd.