Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond de vraag centraal of het gezag van de moeder over drie minderjarige kinderen terecht was beëindigd en of de Nederlandse rechter bevoegd was om hierover te oordelen. De moeder was strafrechtelijk veroordeeld voor onttrekking van een kind aan het gezag van de vader. De kinderen hadden hun gewone verblijfplaats in Nederland, hoewel één kind sinds kort in Nigeria verbleef.
Het hof oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd was op grond van Verordening Brussel II-bis, omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen op het moment van het verzoek in Nederland was. De moeder stelde dat Nigeriaans recht van toepassing was, maar het hof wees dit af en stelde dat Nederlands recht van toepassing is volgens het Haags Kinderbeschermingsverdrag.
De moeder werd niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep tegen de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, omdat zij niet langer gezag over de kinderen had. De inhoudelijke beoordeling bevestigde dat het gezag van de moeder terecht was beëindigd vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen en het onvermogen van de moeder om de verzorging en opvoeding adequaat te dragen.
Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank waarin het gezag van de moeder werd beëindigd, het gezag van de vader over twee kinderen werd bevestigd en de voogdij van de vader over het derde kind werd vastgesteld. Het verzoek van de moeder tot gezamenlijk gezag werd afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de moeder over de minderjarige kinderen en bevestigt het gezag en de voogdij van de vader.