ECLI:NL:GHARL:2016:6947
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen proceskostenveroordeling in kort geding
In deze zaak ging appellant in hoger beroep tegen een vonnis van de voorzieningenrechter in kort geding waarin hij was veroordeeld tot vergoeding van het volledige salaris van de advocaat van de Stichting c.s. Appellant had in eerste aanleg gevorderd dat de Stichting c.s. werd verboden het vonnis van 3 september 2014 te executeren en om executiemaatregelen te nemen ten aanzien van de kosten die met de betekening van het vonnis gemoeid waren. Ter zitting in kort geding trok appellant zijn eerste vordering in, waarna de voorzieningenrechter de tweede vordering afwees en appellant veroordeelde tot vergoeding van de proceskosten.
Het hof oordeelde dat het vonnis in eerste aanleg niet vatbaar was voor hoger beroep omdat de waarde van de vordering onder de appelgrens van € 1.750 lag en proceskosten niet meetellen voor appellabiliteit. Daarnaast ontbrak het appellant aan het vereiste belang omdat de Stichting had verklaard geen executiemaatregelen te zullen nemen. Het hof overwoog dat appellant had moeten beseffen dat een spoedvoorziening tegen een geschorste executie geen kans van slagen had en dat hij de procedure daarom niet had moeten voortzetten.
Voorts stelde het hof vast dat appellant niet behoorlijk uitvoering had gegeven aan het vonnis, aangezien hij niet binnen de gestelde termijn de vereiste inschrijvingen en uitschrijvingen bij de Kamer van Koophandel had gerealiseerd. Het hof verklaarde appellant niet-ontvankelijk in hoger beroep en veroordeelde hem in de kosten van het hoger beroep, vastgesteld op € 704 aan griffierecht en € 632 aan salaris volgens het liquidatietarief. Het arrest werd in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2016.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep en veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.