In deze civiele zaak in hoger beroep heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland vernietigd voor zover deze betrekking had op de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de pensioenverevening.
Het hof heeft de behoefte van de vrouw vastgesteld op €2.360 netto per maand, met een bovengrens van €2.600 zoals door de rechtbank bepaald. De draagkracht van de man is berekend op €1.633,80 netto per maand, rekening houdend met zijn inkomen in het Verenigd Koninkrijk, de kosten van de bezoekregeling en andere relevante lasten. De bijdrage in partneralimentatie is dienovereenkomstig vastgesteld.
Met betrekking tot de huwelijksgoederengemeenschap heeft het hof de waarde van het aanvangs- en eindvermogen van beide partijen vastgesteld, rekening houdend met Duitse rechtsregels. De man dient een bedrag van €68.121,24 aan de vrouw te voldoen als vereffening van het verschil in vermogensaanwas.
Ten aanzien van de pensioenverevening is geoordeeld dat alleen het pensioen van de man relevant is, aangezien het pensioen van de vrouw verwaarloosbaar is. De man is verplicht om vanaf het moment dat hij een ouderdomspensioen ontvangt, de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen aan de vrouw te betalen, zolang zij beiden leven. Het hof heeft partijen geadviseerd gezamenlijk de pensioenfondsen te benaderen voor een correcte berekening en mogelijke rechtstreekse uitbetaling aan de vrouw.