Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
- akte na tussenarrest van de zijde van [appellant] ;
- akte na tussenarrest van de zijde van [geïntimeerde] .
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond de vraag centraal of een samenwerkingsovereenkomst tussen partijen als pacht kon worden gekwalificeerd. Het hof heeft het tussenarrest van 31 mei 2016 overgenomen en partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de kwalificatie als pacht en de bevoegdheid van de gewone rechter.
Beide partijen voerden aan dat er geen zuivere pachtrelatie bestond, maar een samenwerking op gelijke basis met gedeeld ondernemersrisico. Het hof oordeelde echter dat de overeenkomst mede als pacht moet worden gekwalificeerd, omdat uit de considerans en inhoud blijkt dat een perceel grond ter beschikking is gesteld voor bedrijfsmatige landbouw, conform artikel 7:311 en Pro 7:312 BW.
De stelling van appellant dat investeringen en winstverdeling wijzen op een andere rechtsverhouding werd onvoldoende onderbouwd. Ook het feit dat geïntimeerde het merendeel van de werkzaamheden verrichtte, bevestigt de pachtkwalificatie. Het hof verklaarde de gewone rechter onbevoegd en verwees de zaak naar de pachtkamer van het hof, waarbij het belang van gespecialiseerde behandeling zwaarder woog dan het feit dat partijen zich in eerste aanleg hierover niet hadden uitgelaten.
Uitkomst: De gewone rechter is onbevoegd en de zaak wordt verwezen naar de pachtkamer van het hof.