ECLI:NL:GHARL:2016:7961

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 oktober 2016
Publicatiedatum
5 oktober 2016
Zaaknummer
21-006504-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 422 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingszaak: draagkrachtverweer en vaststelling betalingsverplichting nihil

In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. De zaak betreft de vaststelling van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting van de veroordeelde.

De advocaat-generaal vorderde vernietiging van het eerdere vonnis voor zover het bedrag van de betalingsverplichting was vastgesteld op €20.000,- en stelde voor het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op €83.060,97, maar de betalingsverplichting nihil te stellen. De verdediging voerde aan dat de veroordeelde, gezien zijn leeftijd, faillissementen, beperkte AOW-uitkering en hoge schulden, niet over draagkracht beschikt om te betalen.

Het hof oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld over het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel, maar dat de betalingsverplichting met betere motivering op nihil moest worden vastgesteld. De veroordeelde is 74 jaar, ontvangt een beperkte AOW-uitkering waarop beslag is gelegd, is failliet verklaard en heeft geen substantieel vermogen. Daarnaast staat er nog een groot bedrag aan schulden open. Hierdoor is duidelijk dat hij niet in staat is om het bedrag te betalen.

Het hof vernietigde het vonnis voor zover het de betalingsverplichting betrof en stelde deze op nihil vast. Voor het overige bevestigde het hof het vonnis van de rechtbank. De uitspraak werd gedaan in aanwezigheid van de raadsheren en griffier tijdens de openbare terechtzitting op 5 oktober 2016.

Uitkomst: De betalingsverplichting tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op nihil vanwege de draagkracht van de veroordeelde.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-006504-15
Uitspraak d.d.: 5 oktober 2016
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 5 november 2015 met parketnummer 17-880039-12 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1942,
ingeschreven te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 september 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, ertoe strekkende dat de beslissing van de eerste rechter wordt vernietigd, dat het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vaststelt op € 83.060,97 en dat de betalingsverplichting op nihil wordt gesteld. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door veroordeelde en zijn raadsman,
mr. M.R. van der Pol, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel, dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd, met uitzondering van de vaststelling van de opgelegde betalingsverplichting en met verbetering van de daarop betrekking hebbende motivering.

Draagkracht

Ten aanzien van de betalingsverplichting heeft de verdediging aangevoerd dat deze op nihil moet worden gesteld omdat de huidige en redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van veroordeelde niet voldoende zal zijn om enig bedrag aan de Staat te kunnen betalen.
Veroordeelde is zowel zakelijk als persoonlijk failliet verklaard. Hij is 74 jaar oud en geniet geen inkomsten uit arbeid. Hij ontvangt een, wegens verblijf in het buitenland en daardoor verminderde AOW-opbouw, beperkte AOW-uitkering waarop, behoudens de beslagvrije voet, beslag is gelegd door schuldeisers van verdachte. Niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde beschikt over een substantieel vermogen.
Ter zitting van het hof is voorts aannemelijk geworden dat nog een bedrag van ruim 1,7 miljoen euro aan vorderingen van concurrente schuldeisers open staat.
Gelet op deze omstandigheden is duidelijk dat veroordeelde nu en in de toekomst niet de draagkracht heeft en zal hebben om het vastgestelde bedrag van € 83.060,97 aan de Staat te betalen. Daarom zal de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, conform de vordering van de advocaat-generaal en het pleidooi van de raadsman, worden vastgesteld op nihil.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover het betreft het daarbij vastgestelde bedrag (van € 20.000,-) tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en in zoverre opnieuw rechtdoende:
Stelt de verplichting tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op
nihil.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door
mr. T.H. Bosma, voorzitter,
mr. W.P.M. ter Berg en mr. G. Dam, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers, griffier,
en op 5 oktober 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.