Belanghebbende diende op 29 juli 2013 een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning. De legesnota bedroeg € 8.606,90. De heffingsambtenaar handhaafde deze heffing na bezwaar, maar de rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en vernietigde de legesnota.
De heffingsambtenaar stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Het geschil betrof de vraag of de leges terecht waren geheven, mede gezien artikel 3.1, vierde lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) dat bepaalt dat de bevoegdheid tot invordering vervalt indien binnen tien jaar geen nieuw bestemmingsplan is vastgesteld.
Het hof oordeelde dat de legessanctie van toepassing is omdat de aanvraag meer dan tien jaar na het bestemmingsplan werd ingediend. Ook de stelling dat de legessanctie niet geldt bij buitenplanse afwijkingsmogelijkheden werd verworpen. Alle onderdelen van de legesnota maken deel uit van één dienst die verband houdt met het bestemmingsplan, waardoor de heffing niet terecht was.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is op 1 november 2016 gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden.