Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker,
[belanghebbende 2],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 9 februari 2016 uitspraak gedaan over het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring van een machtiging voor gesloten jeugdhulp. De kinderrechter had op 14 januari 2016 een machtiging verleend voor gesloten plaatsing van de verzoeker, die op grond van de Jeugdwet bij voorraad uitvoerbaar is.
De verzoeker stelde dat hij niet was gehoord door de kinderrechter en dat de gesloten plaatsing niet in zijn belang zou zijn vanwege positieve ontwikkelingen en het vooruitzicht op het behalen van een diploma en werkervaring. Tevens voerde hij aan dat niet was onderzocht of een voorwaardelijke machtiging mogelijk was.
Het hof oordeelde dat het verzoek tot schorsing ontvankelijk was, maar dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van de machtiging volgens de wet niet aan de rechter kan worden ontnomen, tenzij er zeer bijzondere omstandigheden zijn. Deze bijzondere omstandigheden waren niet aangetoond. Het feit dat de verzoeker niet persoonlijk was gehoord, werd niet als doorslaggevend gezien omdat zijn advocaat wel aanwezig was en namens hem het woord voerde.
Daarom wees het hof het verzoek tot schorsing af. De inhoudelijke bezwaren van de verzoeker dienen in het hoger beroep tegen de beschikking te worden behandeld.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring van de machtiging gesloten jeugdhulp af.