De man en vrouw hadden een affectieve relatie tot oktober 2014 en samen een minderjarige, die niet door de man is erkend. Na beëindiging van de relatie was er nauwelijks contact tussen de man en het kind. De man verzocht de rechtbank om vervangende toestemming voor erkenning, gezamenlijk gezag en een omgangsregeling, welke deels werden toegewezen.
Na DNA-onderzoek bleek de man niet de biologische vader, waarna hij zijn verzoeken tot erkenning en gezag introk. De rechtbank stelde een omgangsregeling vast, maar de vrouw verzette zich hiertegen in hoger beroep. Het hof moest beoordelen of er sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en het kind, een vereiste voor omgangsrecht zonder gezag.
Het hof oordeelde dat de man onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een nauwe persoonlijke betrekking had met het kind. Verklaringen over samenwoning waren onvoldoende betrouwbaar en de vrouw betwistte de betrokkenheid van de man bij de verzorging en opvoeding. Ook was er sinds 2015 geen contact meer geweest.
De raad voor de kinderbescherming adviseerde dat omgang niet in het belang van het kind was vanwege het grote wantrouwen van de vrouw en de kwetsbare leeftijd van het kind. Het hof volgde dit advies en verklaarde de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot omgangsregeling, waarbij iedere partij haar eigen proceskosten draagt.