De man verzocht de rechtbank een omgangsregeling vast te stellen met de kinderen van de vrouw, die via een zaaddonor zijn geboren. Hij stelde dat hij een nauwe persoonlijke betrekking met de kinderen had en een vaderrol vervulde. De vrouw betwistte dit en stelde dat zij bewust alleenstaand moeder is geworden en dat de man slechts een behulpzame vriend was.
De rechtbank onderzocht de aard van de relatie tussen de man en de kinderen. Hoewel er sprake was van frequent contact en een hechte vriendschap tussen de man en de vrouw, leefden zij nooit in gezinsverband met de kinderen. De man had geen deel van de verzorging en opvoeding op zich genomen en was niet juridisch of biologisch vader.
De rechtbank concludeerde dat de man onvoldoende feiten en omstandigheden had gesteld om een nauwe persoonlijke betrekking aan te nemen die het recht op omgang rechtvaardigt. Daarom verklaarde de rechtbank de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek om een omgangsregeling.