Uitspraak
[verzoeker],
[verweerster],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Werknemer trad in mei 2013 in dienst bij een bedrijf en werkte later via verschillende gelieerde vennootschappen, waarbij het werkgeverschap verschoof tussen meerdere verbonden ondernemingen. In februari 2016 werd hij op staande voet ontslagen door een van deze vennootschappen, die kort daarna werd ontbonden. Werknemer bleef echter werkzaam in hetzelfde pand en kreeg loonbetalingen van verschillende vennootschappen.
De werknemer verzocht vernietiging van het ontslag op staande voet en diverse vergoedingen, maar betrok in de procedure de verkeerde werkgever. De kantonrechter verklaarde hem niet-ontvankelijk en veroordeelde hem in de proceskosten. In hoger beroep stelde de werknemer dat de juiste werkgever de vennootschap was die het loon betaalde en dat hij na de ontbinding van de oorspronkelijke werkgever doorwerkte.
Het hof oordeelde dat werknemer onvoldoende had onderbouwd dat er sprake was van overgang van onderneming of dat de vennootschap die het loon betaalde ook zijn werkgever was geworden. Het feit dat loon door derden werd betaald, was onvoldoende om het werkgeverschap te wijzigen. Daarom werd de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd, het incidenteel hoger beroep van de werkgever verworpen en de werknemer veroordeeld in de kosten van beide procedures.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet wegens verkeerde werkgever in rechte betrokken.