Uitspraak
kantoorhoudende te [kantoorplaats].
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 13 februari 2017 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een beslissing van de kantonrechter Limburg. De kantonrechter had het beroep van de betrokkene tegen een beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek tot proceskostenvergoeding afgewezen.
De gemachtigde van de betrokkene stelde dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie had moeten vernietigen omdat geen termijn was gegeven om de beroepsgronden aan te vullen en omdat de hoorplicht was geschonden. Het hof oordeelde dat hoewel de gemachtigde in het beroepschrift aangaf nog gronden te willen aanvullen, dit niet als een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gedaan verzoek kon worden beschouwd. Tevens was er geen redelijk belang aangetoond voor het alsnog aanvullen van gronden.
Het hof stelde echter vast dat de officier van justitie ten onrechte had afgezien van het horen van de gemachtigde, ondanks een expliciet verzoek daartoe, wat een schending van de hoorplicht inhoudt. Daarom vernietigde het hof de beslissing van de kantonrechter en de beslissing van de officier van justitie en verklaarde het beroep gegrond. Omdat er geen inhoudelijk verweer was gevoerd tegen de inleidende beschikking, werd dat beroep ongegrond verklaard.
Ten slotte wees het hof het verzoek tot vergoeding van proceskosten af, omdat de werkzaamheden van de gemachtigde niet redelijkerwijs in het belang van de betrokkene waren verricht. Het arrest werd uitgesproken door mr. De Witt.
Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt de beslissing van de officier van justitie wegens schending van de hoorplicht en wijst het verzoek tot proceskostenvergoeding af.