ECLI:NL:GHARL:2017:10856

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 december 2017
Publicatiedatum
11 december 2017
Zaaknummer
200.215.550/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BWArt. 1:205 lid 1 onder a BWArt. 1:212 BWArt. 3 IVRKArt. 12 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging erkenning stiefvader en erkenning biologische vader in belang minderjarige

In deze civiele zaak stond de erkenning van een minderjarige centraal. De stiefvader had de minderjarige erkend tijdens diens minderjarigheid, terwijl de biologische vader een verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning indiende. De rechtbank had de erkenning door de stiefvader vernietigd en de vervangende toestemming aan de biologische vader verleend.

De vrouw, moeder en gezagsdrager, kwam in hoger beroep tegen deze beslissing met twee grieven: tegen de vernietiging van de erkenning door de stiefvader en tegen de vervangende toestemming voor de biologische vader. Het hof oordeelde dat de bijzondere curator namens de minderjarige bevoegd was het verzoek tot vernietiging van de erkenning door de stiefvader in te dienen, ook zonder dat de minderjarige daarvan op de hoogte was.

Het hof stelde dat de biologische band met de vader prevaleert boven de sociale band met de stiefvader en dat het belang van de minderjarige bij duidelijkheid over zijn familiebanden voorop staat. De vervangende toestemming tot erkenning door de biologische vader werd bevestigd, omdat dit de emotionele en sociaalpsychologische ontwikkeling van de minderjarige niet schaadt. Een nader onderzoek door de raad werd afgewezen wegens onvoldoende noodzaak en het belang van de minderjarige.

De bestreden beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd en het hoger beroep van de vrouw werd afgewezen.

Uitkomst: De erkenning door de stiefvader wordt vernietigd en de vervangende toestemming tot erkenning door de biologische vader wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.215.550/01
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland C/16/422648/FL RK 16-1797, C/16/421473/FL RK 16-1669 en C/16/421480/FL RK 16-1670)
beschikking van 5 december 2017
inzake
[verzoekster] ,
wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. T.H. Dijkstra te Zwolle,
en
[verweerder] ,
wonende te [B] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M.P.G. Roobeek te Mijdrecht.
en
Mr. [de bijzondere curator]
in haar hoedanigheid als bijzondere curator van [de minderjarige] ,
advocaat te [A] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de bijzondere curator.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[belanghebbende] ,
wonende te [A] ,
verder te noemen: [belanghebbende] .

1.1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 27 januari 2017, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 26 april 2017;
- het verweerschrift van de man met productie(s);
- het verweerschrift van de bijzondere curator met productie(s);
- een brief van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) van 23 augustus 2017 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Dijkstra van 19 oktober 2017 met productie(s).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 1 november 2017 plaatsgevonden. De vrouw en de man zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten, als ook de bijzondere curator en [belanghebbende] . Namens de raad is, in het kader van zijn adviserende rol, [C] verschenen. Mr. Dijkstra heeft pleitaantekeningen overgelegd.

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw zijn de biologische ouders van [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ), geboren [in] 2008, over wie de vrouw alleen het gezag uitoefent. [de minderjarige] is woonachtig bij de vrouw.
3.2
De vrouw en [belanghebbende] hebben sinds 2015 een affectieve relatie. [de minderjarige] is tijdens zijn minderjarigheid door [belanghebbende] erkend op 11 januari 2016.
3.3
Bij verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 12 augustus 2016, heeft de man -voor zover hier van belang- de rechtbank verzocht om vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige] .
3.4
Bij beschikking van 6 september 2016 heeft de rechtbank ambtshalve mr. [de bijzondere curator] benoemd tot bijzondere curator ten aanzien van het verzoek vervangende toestemming tot erkenning van de man over [de minderjarige] .
3.5
De bijzondere curator heeft in eerste aanleg geadviseerd dat de man als biologische vader [de minderjarige] zou moeten kunnen erkennen. Tevens heeft de bijzondere curator in naam van [de minderjarige] verzocht de erkenning door [belanghebbende] te vernietigen.

4.De omvang van het geschil

4.1
In geschil is de erkenning van [de minderjarige] . De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, bij de bestreden beschikking van 27 januari 2017 de erkenning door [belanghebbende] vernietigd en de man (onder voorwaarde) vervangende toestemming verleend tot erkenning van [de minderjarige] .
4.2
De vrouw is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Grief één ziet op de vernietiging van de erkenning van [de minderjarige] door [belanghebbende] en grief twee ziet op het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige] door de man. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en primair het verzoek tot vernietiging van de erkenning af te wijzen, subsidiair het verzoek tot vervangende toestemming af te wijzen en meer subsidiair een onderzoek door de raad te gelasten waarin de vraag wordt meegenomen of een vernietiging van de erkenning c.q. vervangende toestemming voor erkenning in het belang van [de minderjarige] is en de man te veroordelen in de kosten van beide/deze instantie(s). Ter zitting heeft de vrouw haar verzoek de man te veroordelen in de kosten van beide/deze instantie(s) ingetrokken.
4.3
De man voert verweer en hij verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de vrouw af te wijzen.
4.4
De bijzondere curator voert eveneens verweer en verzoekt het primaire en subsidiaire verzoek van de vrouw af te wijzen.
4.5
[belanghebbende] heeft ter zitting mondeling verweer gevoerd.

5.De motivering van de beslissing

Vernietiging van de erkenning
5.1
Op grond van artikel 1:205 lid 1 onder Pro a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het kind zelf een verzoek tot vernietiging van de erkenning bij de rechtbank indienen op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden.
5.2
Op grond van artikel 1:212 BW Pro wordt het minderjarige kind in zaken van afstamming, optredende als verzoeker of belanghebbende, vertegenwoordigd door een bijzondere curator. De bijzondere curator acht het in het belang van [de minderjarige] dat de erkenning door [belanghebbende] wordt vernietigd, zodat de man, de biologische vader van [de minderjarige] , [de minderjarige] kan erkennen en heeft daarom een verzoek tot vernietiging van de erkenning van [de minderjarige] door [belanghebbende] ingediend.
5.3
De vrouw stelt - naar het hof begrijpt - dat de bijzondere curator voornoemd verzoek tot vernietiging van de erkenning door [belanghebbende] niet namens [de minderjarige] had kunnen doen omdat deze beslissing bij [de minderjarige] zelf thuishoort. In ieder geval had onderzocht moeten worden of [de minderjarige] in staat was zich hier een weloverwogen oordeel over te vormen dan wel had gewacht moeten worden totdat hij daartoe in staat was. In dit kader verwijst de vrouw naar de beslissing van de Hoge Raad van 31 oktober 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AJ3261), als ook naar de artikelen 3 eerste lid en 12 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Zij acht het in het belang van [de minderjarige] en het gezin waarin hij opgroeit dat bij de (vernietiging van de) erkenning aan de feitelijke opvoedingssituatie meer gewicht wordt toegekend dan aan de bloedband.
5.4
De man weerspreekt de visie van de vrouw. Hij is het eens met het oordeel van de rechtbank in deze.
5.5
De bijzondere curator stelt dat zij bevoegd was het verzoek tot vernietiging van de erkenning namens [de minderjarige] in te dienen. Volgens de bijzondere curator legt de vrouw genoemde beslissing van de Hoge Raad onjuist uit. Zij is onveranderd van mening dat in het belang van [de minderjarige] de erkenning door [belanghebbende] dient te worden vernietigd.
5.6
Het hof is van oordeel dat de bijzondere curator het verzoek namens [de minderjarige] kan doen, ook zonder dat [de minderjarige] op de hoogte was van het feit dat hij erkend was door [belanghebbende] . In eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad is beslist dat de bijzondere curator namens een nog zeer jeugdig kind een verzoek tot ontkenning van het vaderschap kan indienen. Daarbij toetst de bijzondere curator zelfstandig of het belang van het kind is gediend bij een dergelijk verzoek en met de mogelijkheid dat het vervolgens door de biologische vader kan worden erkend, terwijl voor de gegrondverklaring van de ontkenning ook een beslissing van de rechter is vereist, die eveneens het belang van het kind centraal dient te stellen. De bijzondere curator heeft, naar het oordeel van het hof, deze belangenafweging gemaakt. Dit blijkt uit het advies van de bijzondere curator van 3 oktober 2016, blz. 6 en 7. Het hof is van oordeel dat de bijzondere curator de belangen van [de minderjarige] in deze zorgvuldig heeft gewogen en volgt de bijzondere curator dan ook in haar belangenafweging en maakt die na eigen onderzoek tot de zijne. Dit betekent dat het verzoek tot vernietiging van de erkenning van [de minderjarige] door [belanghebbende] dient te worden toegewezen. In het algemeen dient de biologische band met de man immers te prevaleren boven de feitelijke sociale band (family life) met [belanghebbende] , terwijl ook duidelijk is dat [de minderjarige] de man als zijn biologische vader beschouwt. Daarnaast is niet gebleken dat [de minderjarige] alsdan wordt belemmerd in zijn ontwikkeling. Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat bij de belangenafweging de feitelijke opvoedsituatie dient te prevaleren en dat bij de vernietiging van de erkenning door [belanghebbende] de ongestoorde verhouding in het gedrang komt. Het gezin is een samengesteld gezin en [belanghebbende] speelt als stiefvader, net als de man als biologische vader een belangrijke rol in het leven van [de minderjarige] . Het is voor de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] van belang dat de betrokken volwassenen om hem heen op een open en duidelijke wijze omgaan met het feit dat [de minderjarige] in een samengesteld gezin opgroeit en dat zij hem helderheid (blijven) geven over zijn familiebanden. De omstandigheid dat de bijzondere curator niet met [de minderjarige] heeft gesproken over de erkenning rechtvaardigt geen ander oordeel nu het hof een gesprek daarover met hem - gelet op zijn leeftijd - te bezwarend acht.
5.7
Uit het voren overwogene blijkt dat het hof ook niet is gebleken van omstandigheden die maken dat slechts kan worden beslist op het verzoek nadat [de minderjarige] zich daarover zelf een weloverwogen oordeel heeft kunnen vormen In beginsel is het uitgangspunt van de wetgever dat het afstammingsrecht zoveel mogelijk in overeenstemming dient te zijn met de biologische werkelijkheid. Het is in deze voor alle betrokkenen en ook voor [de minderjarige] volstrekt helder dat de man de biologische vader van [de minderjarige] is. [de minderjarige] noemt hem ‘papa’ en er vindt omgang tussen [de minderjarige] en de man plaats. Het hof weegt op dit punt verder nog mee dat de man niet de intentie heeft om de naam van [de minderjarige] te wijzigen en dat de erkenning ook niet een naamswijziging meebrengt. Ook de omstandigheid dat de man niet eerder zelf een verzoek tot erkenning van [de minderjarige] heeft ingediend, maakt de beoordeling niet anders. Uit de stukken is gebleken dat de man de wens daartoe wel eerder en vaker heeft geuit maar de man om ook begrijpelijke redenen de gespannen verhouding met de vrouw niet verder onder druk heeft willen zetten.
Vervangende toestemming tot erkenning
5.8
Op grond van artikel 1:204 lid 3 BW Pro kan de toestemming van de vrouw wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder op verzoek van de man die het kind wil erkennen door de toestemming van de rechtbank worden vervangen indien de erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet schaden of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind niet in het gedrang komt. De persoon die het kind wil erkennen is de verwekker van het kind of de biologische vader van het kind die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
5.9
Het hof is van oordeel dat de rechtbank de man terecht vervangende toestemming tot erkenning heeft verleend. Uitgangspunt is dat de toestemming wordt verleend, tenzij dit de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Dit zou onder meer het geval kunnen zijn wanneer de vrouw ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat het nodig heeft.
5.1
Niet aannemelijk is geworden dat, in geval van erkenning door de man, de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] in het gedrang komt. Evenmin acht het hof aannemelijk geworden dat de vervangende toestemming de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt.
5.11
De vrouw stelt weliswaar dat ze vreest dat de man [de minderjarige] zonder toestemming mee zal nemen naar het buitenland omdat de man beschikt over twee nationaliteiten. Echter zij heeft deze angst onvoldoende onderbouwd, terwijl die ook niet op andere wijze aannemelijk is geworden. Dat de vervangende toestemming tot erkenning (enige) spanning en stress oplevert bij de vrouw en dat ze het onwenselijk vindt dat op het moment dat sprake is van overlijden van de vrouw er geen enkele juridische verhouding is tussen [belanghebbende] en [de minderjarige] vormt op zichzelf onvoldoende reden om de vervangende toestemming tot erkenning te weigeren. Het belang bij het tot stand brengen van een familierechtelijke betrekking tussen [de minderjarige] en zijn biologische vader dient te prevaleren. Dat de man -zoals de vrouw meermalen heeft opgemerkt- niet eerder een verzoek tot vervangende toestemming voor erkenning heeft ingediend, leidt zoals het hof hiervoor ook heeft overwogen niet tot een ander oordeel.
Onderzoek raad
5.12
De vrouw heeft subsidiair verzocht een nader onderzoek door de raad te gelasten. Het hof wijst dat verzoek af. De vrouw heeft voor de noodzaak daartoe onvoldoende gesteld, terwijl het hof zich voldoende geïnformeerd acht. Bovendien acht het hof het betrekken van [de minderjarige] in deze strijd tussen enerzijds de vrouw en [belanghebbende] en anderzijds de man door hem te gaan horen te belastend voor [de minderjarige] .
5.13
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van
27 januari 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, G.M. van der Meer en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier, en is op 5 december 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.