ECLI:NL:GHARL:2017:11093

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 december 2017
Publicatiedatum
18 december 2017
Zaaknummer
200.226.979/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 360 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsingsverzoek bijdrage kosten verzorging en opvoeding minderjarige

In deze zaak heeft het hof het schorsingsverzoek van de man behandeld tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, waarin hij werd verplicht een maandelijkse bijdrage van €300 te betalen voor de verzorging en opvoeding van zijn minderjarige kind. De man stelde dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad was zonder gemotiveerde beslissing en dat dit hem in een acute noodsituatie bracht. Tevens voerde hij aan dat er sprake was van een misslag in de vaststelling van de behoefte van het kind en zijn draagkracht.

Het hof overwoog dat de man feitelijk al jarenlang grotendeels op kosten van zijn ouders leeft, die onder andere zijn vaste lasten en huur betalen. Het verzoek tot schorsing werd afgewezen omdat de man onvoldoende aannemelijk maakte dat hij niet in staat zou zijn de bijdrage te voldoen, mede gelet op zijn leeftijd, opleiding en de redelijke verwachting dat hij inkomsten kan genereren. De door de man aangevoerde misslagen betroffen aspecten die in de bodemprocedure beoordeeld moeten worden en rechtvaardigen geen schorsing.

Voorts oordeelde het hof dat de gedeponeerde bankafschriften onterecht via depot waren ingebracht, omdat deze eenvoudig te kopiëren zijn en de vrouw daardoor niet naar behoren kennis kon nemen van de inhoud, wat haar procesbelang schaadde. Het belang van de vrouw bij de betaling van de bijdrage werd als zwaarwegend beschouwd. Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.226.979/02
(zaaknummer rechtbank C/17/154714 /FA RK 17-591
beschikking van 12 december 2017 op het verzoek tot schorsing
inzake
[verzoeker],
wonende te [A] ,
verzoeker,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. L. Laus te Haarlem,
en
[verweerster],
wonende te [B] ,
verweerster,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J. Kuipers-Mellema te Leeuwarden.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 11 oktober 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Bij deze beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang en uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de man met ingang van 4 juli 2017 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , geboren [in] 2016, met een bedrag van € 300,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met productie(s), ingekomen op 1 november 2017;
- een journaalbericht van mr. Laus van 9 november 2017 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Laus van 13 november 2017 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Laus van 14 november 2017 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Laus van 16 november 2017 met productie(s);
- twee journaalberichten van mr. Laus van 20 november 2017 met productie(s);
- het verweerschrift van de vrouw met productie(s), ontvangen op 23 november 2017;
- een journaalbericht van mr. Laus van 24 november 2017 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Laus van 27 november 2017 met productie(s).
2.2
Op 28 november 2017 heeft mr. Laus een pakket stukken (bankafschriften) ter deponering aangeboden aan de griffie van het hof. Van deze deponering is een akte opgemaakt. Bij brief van 28 november 2017 heeft mr. Kuipers-Mellema bezwaar gemaakt tegen het depot.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 29 november 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Laus heeft het woord gevoerd mede aan de hand van door hem overgelegde pleitnotities.

3.De motivering van de beslissing

het depot
3.1
Bewijs mag worden geleverd door alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt. Deponering van stukken is een door de wet toegelaten middel van bewijslevering. Het behoort echter alleen dan te worden gebruikt wanneer het gaat om bewijsstukken die niet op eenvoudige wijze te vermenigvuldigen zijn, omdat kennisneming van gedeponeerde stukken voor de wederpartij aanzienlijk bezwarender is dan kennisneming van stukken die in de procedure zijn gebracht doordat ze aan het hof en de wederpartij zijn verstrekt.
3.2
De door mr. Laus gedeponeerde stukken zijn kopieën van bankafschriften. Die plegen, ook in de hoeveelheid die nu gedeponeerd is (het betreft een pakket van 6 à 7 cm dik), in kopie aan de wederpartij en het hof te worden overgelegd. Door deze stukken te deponeren wordt op onjuiste wijze gebruikgemaakt van de mogelijkheid om door middel van depot stukken in de procedure te brengen. Het hof zal dan ook in deze schorsingszaak geen acht slaan op de gedeponeerde stukken, overigens ook omdat de vrouw niet naar behoren kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van de gedeponeerde stukken, waardoor zij - zonder goede grond - in haar procesbelang is geschaad. Wanneer de man wenst dat in de procedure ten gronde wel kennisgenomen wordt van de gedeponeerde stukken zal hij deze alsnog op de hierboven aangegeven wijze in de procedure moeten brengen.
het schorsingsverzoek
3.3
Aan de orde is het verzoek van de man om schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking, voor zover het de onder 1 genoemde beslissing betreft.
3.4
Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid Pro 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.
3.5
Het hof stelt het volgende voorop onder verwijzing naar HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688 en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012.
( i) De verzoeker moet belang hebben bij de door hem gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking.
(ii) Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een beschikking moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van zijn wederpartij bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van de beschikking. Indien de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, is het belang van de schuldeiser bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beginsel gegeven.
(iii) Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing.
(iv) Indien de rechtbank in eerste aanleg een gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de verzoeker die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn verzoek ten grondslag moeten leggen een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij die beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
( v) Indien de rechtbank in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven op de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad geldt de hiervoor onder (iv) vermelde eis niet en moet worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (i) tot en met (iii) vermelde. Dat neemt niet weg dat ook dan de verzoeker die wijziging van de beslissing over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad wenst aan zijn vordering ten grondslag kan leggen een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij die beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
3.6
Dat de man belang heeft bij de door hem verzochte schorsing staat niet ter discussie.
De rechtbank heeft de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking waarvan beroep niet gemotiveerd. De man heeft aan zijn verzoek tot schorsing ten grondslag gelegd dat de uitvoerbaarheid bij voorraad hem in een acute noodsituatie brengt, en dat er sprake is van een misslag, die er uit bestaat dat de behoefte van [de minderjarige] niet is vastgesteld, dat het inkomen van de man enkel op basis van mededelingen van de vrouw is vastgesteld zonder acht te slaan op de jaarrekeningen van de afgelopen vijf jaren, en dat uitgegaan is van een nihil inkomen van de vrouw.
3.7
Het hof stelt vast dat uit de stukken en uit de mondelinge behandeling van de zaak blijkt dat de man feitelijk al jarenlang en ook gedurende de relatie met de vrouw en de geboorte van [de minderjarige] (grotendeels) op kosten van zijn (gefortuneerde) ouders leeft: zo betalen zij zijn kleding en zijn vaste lasten, laten zij de huur van het kapitale pand (eigendom van de b.v. van de vader van de man) waarin de man woont en zijn bedrijf heeft ongeïnd, en hebben zij zijn auto betaald. Dat er dan nu sprake zou zijn van een acute noodsituatie wanneer de man verplicht blijft een bijdrage van € 300,- per maand te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] is niet onderbouwd en zonder nadere onderbouwing niet geloofwaardig. Daargelaten dat de man ook deze bedragen desnoods van zijn ouders zou moeten kunnen lenen of krijgen, niets staat de man in de weg om zich in te spannen om op korte termijn op welke wijze dan ook inkomsten te genereren die hem tot die betaling in staat stellen. De man is 31 jaar en heeft onbetwist een goede opleiding genoten. Hij kan dat ook doen naast zijn pogingen om zijn bedrijf rendabel te maken. Hij mag van zijn ouders een jaar respijt hebben gekregen om zijn bedrijf voldoende winstgevend te maken, het hof acht onaanvaardbaar dat de man daar voorrang aan geeft boven zijn inspanningsplicht om bij te dragen in de kosten van [de minderjarige] . Het gaat hier niet alleen om de daadwerkelijke draagkracht van de man, maar ook om de draagkracht die hij zich in redelijkheid kan verwerven, mede gezien in het licht van de verantwoordelijkheid die de man voor [de minderjarige] heeft.
3.8
De overwegingen van de rechtbank die de man aanvoert als misslagen zijn aspecten die in de bodemzaak beoordeeld dienen te worden maar die niet leiden tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking waarvan beroep. Van (evidente) misslagen is geen sprake. Het hof merkt hierbij op dat de behoefte van [de minderjarige] , gelet op de mate van welstand - al dan niet op basis van geleend of gekregen geld - waarin partijen hebben geleefd en de man nog steeds leeft, geenszins als bovenmatig hoog vastgesteld voorkomt. Uit het boven overwogene vloeit verder voort dat de jaarrekeningen (en de onderbouwing daarvan met de gedeponeerde bankafschriften) voor de beslissing van het hof op het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad niet van belang zijn. Voldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw bezig is weer een bestaan als alleenstaande ouder en als schilder op te bouwen, en dat zij zich in dat kader de van haar te vergen inspanningen getroost.
3.9
Uit het bovenstaande vloeit voort dat het verzoek moet worden afgewezen. Een afweging van de betrokken belangen - voor zover na het bovenstaande nog aan de orde - leidt niet tot een ander oordeel: het belang van de vrouw bij de betaling van de bijdrage voor [de minderjarige] is in beginsel reeds gegeven, en andere belangen dan de hierboven behandelde zijn niet aangevoerd of relevant.

4.De beslissing

Het hof:
wijst af het verzoek van de man tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 11 oktober 2017.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, A.R. van der Winkel en M.P. den Hollander en is op 12 december 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.