Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 1988 gehuwd onder Marokkaans recht en hebben in 2013 ook de Nederlandse nationaliteit verkregen. De man verzocht in 2015 om echtscheiding, welke in 2016 werd uitgesproken. De vrouw vorderde in hoger beroep een vergoeding op grond van artikel 49 van Pro de Marokkaanse Mudawwana, stellende dat zij recht heeft op de helft van de tijdens het huwelijk opgebouwde vermogensvermeerdering, waaronder een woning en een bankrekening in Marokko.
Het hof oordeelde dat het Marokkaanse huwelijksvermogensrecht van toepassing is, gelet op de gemeenschappelijke nationaliteit bij huwelijkssluiting, en dat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek. De vrouw kon echter niet voldoende onderbouwen dat de man vermogen had opgebouwd, noch specificeerde zij de gevraagde bescheiden adequaat, waardoor het verzoek om inzage op grond van artikel 843a Rv werd afgewezen.
De man betwistte het bestaan van onroerend goed en vermogen, wat hij onderbouwde met een verklaring van het Marokkaanse kadaster. Het hof stelde dat de bewijslast en stelplicht bij de vrouw liggen en dat zij niet voldeed aan deze verplichtingen. Ook werd geoordeeld dat artikel 10:47 BW Pro niet van toepassing is, zodat geen vergoeding wegens benadeling van de vrouw kan worden toegekend.
Daarom werden de grieven van de vrouw verworpen en de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vrouw af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.