Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
4.De beoordeling van de grieven en de vordering
5.De slotsom
€ 1.788,-(2 punten x tarief II)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak staat centraal of de echtgenote van de gefailleerde de gezamenlijke woning kan terugnemen uit de failliete boedel op grond van artikel 61 lid 4 Faillissementswet Pro. De echtgenote stelde dat zij de woning voor meer dan de helft met eigen middelen had gefinancierd via een buitenlandse lening/teruglening-constructie en dat zij de woning uit eigen middelen had gerenoveerd.
Het hof oordeelde dat de echtgenote onvoldoende bewijs had geleverd dat zij de woning voor meer dan de helft had gefinancierd uit eigen vermogen ten tijde van de verkrijging. De overgelegde leningen en terugbetalingen boden geen overtuigend bewijs en de stellingen over schenkingen en eigen middelen waren onvoldoende onderbouwd. Ook de renovatiekosten waren niet aantoonbaar uit eigen vermogen betaald.
Verder werd geoordeeld dat er geen sprake was van schending van grondrechten zoals het eigendomsrecht en het recht op gezinsleven bij mogelijke ontruiming. De regeling in artikel 61 lid 4 Faillissementswet Pro vormt een fair balance tussen de belangen van schuldeisers en de niet-failliete echtgenoot. De grieven van de echtgenote werden verworpen en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat de echtgenote geen recht heeft op terugneming van de woning en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.