Belanghebbende, eigenaar en gebruiker van een woonzorgcentrum, stelde dat het centrum als woning moet worden aangemerkt voor de onroerendezaakbelasting (OZB). De heffingsambtenaar had aanslagen opgelegd op basis van een niet-woningtarief, wat door belanghebbende werd bestreden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Het geschil richtte zich op de vraag of het woonzorgcentrum in hoofdzaak dient tot woning in de zin van artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet. Het hof overwoog dat meer dan 70% van de waarde van het object moet worden toegerekend aan woondoeleinden om als woning te gelden. De mix-ruimten en woonstraten, die zowel door bewoners als verzorgend personeel worden gebruikt, zijn niet volledig dienstbaar aan woondoeleinden en kunnen daarom niet als woning worden aangemerkt.
Het hof verwierp het standpunt van belanghebbende dat deze ruimten proportioneel aan wonen moeten worden toegerekend en bevestigde dat het arrest van de Hoge Raad uit 2014 correct is toegepast. Gezien de aard van het woonzorgcentrum en het intensieve verpleegkundige gebruik van de gemeenschappelijke ruimten, concludeerde het hof dat het woonzorgcentrum niet in hoofdzaak tot woning dient. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aanslagen werden bevestigd.