Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
€ 217.219
€ 302.125
€ 215.763
€ 0
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende, een B.V. met dochterondernemingen, had in 2007 een herinvesteringsreserve (HIR) gevormd naar aanleiding van de verkoop van onroerende zaken. In de aanslagen vennootschapsbelasting (Vpb) over 2009 en 2010 werd deze HIR door de Inspecteur vrijgevallen omdat geen herinvesteringsvoornemen werd aangenomen. Belanghebbende stelde dat er wel een dergelijk voornemen bestond, onderbouwd met een directiebesluit en andere omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de aanslagen en heffingsrente ongegrond, maar matigde de verzuimboete over 2010. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. Het hof oordeelde dat er geen rechtsgeldig compromis was gesloten tussen partijen. Het directiebesluit en overige aangevoerde bewijsstukken waren onvoldoende om een herinvesteringsvoornemen aannemelijk te maken. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en aanvullende stellingen over de verkoopwinst en afschrijvingen werden verworpen.
De verzuimboete over 2010 werd passend geacht, mede omdat belanghebbende niet tijdig aangifte had gedaan en geen pleitbaar standpunt aannemelijk had gemaakt. Het hof bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.