Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2017:2935

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 april 2017
Publicatiedatum
5 april 2017
Zaaknummer
200.178.130
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:317 BWArt. 7:363 BWArt. 334 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ontbinding mondelinge pachtovereenkomst wegens ontbreken instemming medepacht

In deze civiele zaak vorderen vader en zoon (appellanten) de schriftelijke vastlegging van een mondelinge pachtovereenkomst met de erfgenamen (verpachters), terwijl de erfgenamen in reconventie ontbinding van de pachtovereenkomst vorderen. De pachtkamer oordeelde dat niet alle erfgenamen in conventie waren betrokken en dat de pachtovereenkomst ontbonden moest worden omdat de vader het bedrijf had beëindigd en de zoon geen pachter was.

In hoger beroep stelt het hof vast dat de vordering tot vastlegging niet ontvankelijk is omdat niet alle betrokken erfgenamen partij zijn bij de conventie. Tevens is onvoldoende gesteld dat de zoon instemming heeft gekregen voor medepacht. De overdracht van zeggenschap en pachtrechten van vader aan zoon leidt ertoe dat vader niet meer voldoet aan de pachterverplichtingen.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer en wijst het hoger beroep van de vader en zoon af. De kosten van het hoger beroep worden aan hen opgelegd. Het hof gaat niet in op het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep en acht het bewijsaanbod van appellanten irrelevant.

De uitspraak bevestigt dat voor vastlegging van een pachtovereenkomst alle betrokken partijen in het geding moeten zijn en dat mondelinge instemming met medepacht door een andere persoon dan de oorspronkelijke pachter onvoldoende is zonder duidelijke bewijsvoering.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontbinding van de mondelinge pachtovereenkomst en wijst het hoger beroep van vader en zoon af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof: 200.178.130
(zaaknummer rechtbank Zeeland-West-Brabant 3885817)
arrest van de pachtkamer van 4 april 2017
inzake

1.[appellant 1] ,

2.
[appellant 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
appellanten in het principaal hoger beroep,
geïntimeerden in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna: ( [appellant 1] respectievelijk [appellant 2] ) [appellant (1-2)] ,
advocaat: mr. ing. A. van Weverwijk,
tegen:

1.[geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
2.
[geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
3.
[geïntimeerde 3] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
4.
[geïntimeerde 4]
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
5.
[geïntimeerde 5] ,
wonende te [woonplaats] ,
6.
[geïntimeerde 6] ,
wonende te [woonplaats] ,
7.
[geïntimeerde 7]
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
geïntimeerden in het principaal hoger beroep,
appellanten in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: geïntimeerden 1 tot en met 5 gedaagden in conventie, allen eisers in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna: [geïntimeerde (1-7)] (mannelijk enkelvoud),
advocaat: mr. B. Nijman.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 november 2016 hier over. Bij dat arrest is een comparitie van partijen bepaald, die heeft plaatsgevonden op 15 februari 2017. Hierbij is akte verleend van de stukken die bij bericht van 3 januari 2017 door mr. Van Weverwijk namens [appellant (1-2)] zijn ingebracht. Aan het slot van de comparitie heeft het hof arrest bepaald.
1.2
[appellant (1-2)] vordert in het hoger beroep - kort samengevat en na wijziging van eis – de vernietiging van het vonnis van 28 augustus 2015 en in conventie de schriftelijke vastlegging van de mondelinge pachtovereenkomst tussen [appellant (1-2)] en [geïntimeerde (1-7)] en subsidiair de schriftelijke vastlegging van de mondelinge pachtovereenkomst tussen [appellant 1] en [geïntimeerde (1-7)] en in reconventie de afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde (1-7)] met veroordeling van [geïntimeerde (1-7)] in alle proceskosten.
1.3
[geïntimeerde (1-7)] vordert in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, voor het geval de vordering van [appellant (1-2)] (deels) wordt toegewezen - kort samengevat en naar het hof begrijpt – de (schriftelijk vast te leggen) pachtovereenkomst te ontbinden met veroordeling van [appellant (1-2)] in de proceskosten.

2.De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten:
2.1
[appellant 2] (thans 74 jaar oud) is de vader van [appellant 1] (thans 52 jaar oud). Zij exploiteerden samen vanaf 1984 onder verband van eerst een maatschap en daarna een vennootschap onder firma een gemengd landbouwbedrijf. In 2014 heeft [appellant 2] het bedrijf aan [appellant 1] overgedragen inclusief pachtrechten. Met ingang van 31 oktober 2014 is de vennootschap onder firma met terugwerkende kracht tot 30 maart 2012 ontbonden.
2.2
[geïntimeerde (1-7)] is de erfgenaam van de nalatenschap van de (groot)moeder [(groot)moeder van geïntimeerden 1-7] , overleden op 2 maart 2013. De vader, [vader van geïntimeerden 6 en 7] , is overleden op 1 augustus 1980. Vanaf de tijd dat de vader ziek was, rond 1970, heeft [appellant 2] de grond van [geïntimeerde (1-7)] tegen betaling in gebruik gekregen voor zijn bedrijf. Het gaat om het perceel gelegen aan de [adres] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie G, nummer 1367 en groot circa 4.20 ha.
2.3
In 2014 heeft [geïntimeerde (1-7)] laten weten dat de grond per 1 januari 2015 vrij van pacht moest zijn. [appellant (1-2)] is de grond nadien blijven gebruiken.

3.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1
[appellant (1-2)] heeft in eerste aanleg in conventie appellanten 1 tot en met 5 alsmede [A] gedagvaard en gevorderd de schriftelijke vastlegging van de bestaande pachtovereenkomst tussen [appellant 2] en [appellant 1] als pachters en [geïntimeerde (1-7)] als verpachters. Indien de vordering in conventie zal worden toegewezen heeft [geïntimeerde (1-7)] in voorwaardelijke reconventie de ontbinding van de pachtovereenkomst gevorderd en de ontruiming van het gepachte.
3.2
Bij incidentele conclusie tot voeging hebben [geïntimeerde 6] en [geïntimeerde 7] , de kinderen van [vader van geïntimeerden 6 en 7] , overleden op 24 mei 1984 en broer van geïntimeerden 1 tot en met 5, verzocht zich in voorwaardelijke reconventie te mogen voegen aan de zijde van [geïntimeerde (1-7)] .
3.3
De pachtkamer heeft bij vonnis van 28 augustus 2015 in het incident de vordering toegewezen, in conventie geoordeeld dat [A] ten onrechte was gedagvaard en dat niet alle erfgenamen in het geding waren betrokken zodat [appellant (1-2)] in zijn vordering niet kan worden ontvangen. In reconventie heeft de pachtkamer geoordeeld dat tussen [geïntimeerde (1-7)] en [appellant 2] een pachtovereenkomst voor onbepaalde duur van kracht is. Omdat [appellant 2] zijn bedrijf heeft beëindigd, exploiteert hij het bedrijf niet meer bedrijfsmatig, aldus de pachtkamer, waarop de pachtovereenkomst is ontbonden. Instemming van medepacht door [appellant 1] heeft de pachtkamer niet aangenomen. [appellant (1-2)] is veroordeeld in de kosten in conventie en in reconventie, de kosten van het incident heeft de pachtkamer gecompenseerd.

4.De beoordeling van de grieven en de vordering

in het principaal hoger beroep
4.1
[geïntimeerde (1-7)] heeft aangevoerd dat [appellant (1-2)] niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep omdat enerzijds niet alle erven in conventie in eerst aanleg zijn gedagvaard en anderzijds dat [appellant (1-2)] heeft berust in het vonnis overeenkomstig artikel 334 Rv Pro.
4.2
[appellant (1-2)] heeft [A] , echtgenote van de overleden [vader van geïntimeerden 6 en 7] en moeder van [geïntimeerde 6] en [geïntimeerde 7] , in hoger beroep gedagvaard. De dagvaarding is niet geldig betekend. [appellant (1-2)] heeft aangevoerd jegens haar te berusten in het oordeel dat haar in eerste aanleg verstek is verleend en dat hij geen herstelexploot zal uitbrengen omdat zij, anders dan [appellant (1-2)] had aangenomen, geen erfgenaam is en dus geen verpachtster.
4.3
Jegens [A] heeft [appellant (1-2)] berust in het vonnis voor zover dat ziet op de overweging van de pachtkamer dat tegen haar verstek verleend wordt en dat zij geen erfgenaam is. Een verderstrekkende berusting kan daarin niet gevonden worden. Anders dan namens [geïntimeerde (1-7)] is gesteld, is het niet noodzakelijk dat in deze zaak het hoger beroep tegen alle gedaagden uit de eerste aanleg werd ingesteld. De vordering tegen [geïntimeerde (1-7)] is gebaseerd op de door [appellant (1-2)] gestelde pachtovereenkomst. Gesteld noch gebleken is dat [A] op enig moment door opvolging onder algemene titel, of anderszins, partij is geworden bij die pachtovereenkomst. Van een processueel ondeelbare vordering die meebrengt dat alleen tegen alle oorspronkelijk gedaagde partijen hoger beroep kan worden ingesteld, is daarom geen sprake.
4.4
Ten aanzien van een vordering tot vastlegging dienen alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te worden betrokken. [geïntimeerde 6] en [geïntimeerde 7] hebben zich in eerste aanleg uitsluitend gevoegd in de procedure in reconventie. Dat zij op de hoogte zijn van de vordering in conventie en in eerste aanleg ter comparitie zijn verschenen, maakt hen geen partij bij de vordering in conventie (vergelijk Hoge Raad 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2904). Het vonnis van de pachtkamer in conventie zal dan ook worden bekrachtigd.
4.5
In reconventie sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de pachtkamer in eerste aanleg over de bedrijfsbeëindiging aan de zijde van [appellant 2] . Voor zover moet worden aangenomen dat [appellant 2] nog werkzaamheden op het bedrijf verricht, staat vast dat hij de zeggenschap over het bedrijf, de gronden en zijn pachtrechten heeft overgedragen aan zijn zoon zodat hij niet meer voldoet noch kan voldoen aan de verplichtingen van de (goed) pachter.
4.6
Ook sluit het hof zich aan bij het oordeel van de pachtkamer in eerste aanleg dat [geïntimeerde (1-7)] niet heeft ingestemd met medepacht door [appellant 1] (rov. 16 en 17). In hoger beroep zijn geen andere voldoende redengevende feiten en omstandigheden naar voren gekomen of gebracht die mee kunnen brengen dat [geïntimeerde (1-7)] met [appellant 1] als medepachter heeft ingestemd of dat [appellant 1] dat zo had mogen begrijpen. De ondertekende grondgebruikersverklaringen uit 2002 en 2003 die [appellant (1-2)] heeft overgelegd, zien op het gebruik door de vennootschap, zodat alleen daarom al uit die verklaringen niet kan worden afgeleid dat [geïntimeerde (1-7)] ook [appellant 1] heeft geaccepteerd als pachter. Immers, de pachter [appellant 2] was toen één van de vennoten. Door de wetenschap van en de mogelijke instemming met het gebruik van grond door een vennootschap waarvan de pachter vennoot is, bestaat of ontstaat niet een contractuele pachtverhouding met de vennootschap of, na beëindiging daarvan, met de andere vennoten. Dat aan de eisen van indeplaatsstelling van artikel 7:363 BW Pro is voldaan, is gesteld noch gebleken. De overige stellingen en weren ten aanzien van de gebruikersverklaringen kunnen dan ook onbesproken blijven.
4.7
Bij deze stand van zaken komt het hof niet toe aan het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.
4.8
Het door [appellant (1-2)] gedane bewijsaanbod passeert het hof, omdat de door [appellant (1-2)] ingenomen stellingen niet kunnen leiden tot de ingeroepen rechtsgevolgen.
Slotsom
4.9
Het principaal hoger beroep faalt, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant (1-2)] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten aan de zijde [geïntimeerde (1-7)] zullen worden vastgesteld op € 96,16 aan explootkosten, € 311 aan griffierecht en op € 1.788 aan salaris advocaat
(2 punten x tarief II).

5.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer te Middelburg (rechtbank Zeeland-West-Brabant) van 28 augustus 2015;
veroordeelt [appellant (1-2)] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde (1-7)] vastgesteld op € 96,16 voor explootkosten, € 311 voor griffierecht en op € 1.788 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, B.J.H. Hofstee en W.C. Haasnoot en de deskundige leden mr. ing. H.J Vinke en ir. H.B.M. Duenk, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 april 2017.