Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellante],
werkzaam bij Bureau WSNP van de Kredietbank Nederland (hierna: KBNL),
hierna te noemen:
Sluyter,
advocaat: mr. A.J. Elema.
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De vaststaande feiten
1 september 2014 ontslagen als beschermingsbewindvoerder wegens een vermoeden van verduistering van gelden. Per 1 september 2014 is Confidio Emmen B.V. (hierna:
"Een schuldregeling slaagt alleen in goede samenwerking met alle schuldeisers. Wilt u daarom in afwachting van het resultaat van dit minnelijk schuldregelingstraject uitstel van betaling verlenen, een eventueel loonbeslag opschorten en uw vordering voorlopig niet verder verzwaren met rente en/of kosten? Op die manier geeft u ons de kans om de schuldpositie juist vast (het hof leest: te) stellen."2.8 Met een e-mailbericht van 11 februari 2016 heeft [C] namens Sluyter
27 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, en tot betaling van de - in bedoeld vonnis nader omschreven - proceskosten van Sluyter (in totaal ongeveer € 800,-).
€ 1.443,57.
3.De bespreking van de grieven
Aldus legt [appellante] het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voor. Het hof zal bij zijn oordeel ook alle bezwaren van Sluyter betrekken die niet door de rechtbank zijn gehonoreerd of onbesproken zijn gebleven, dit gelet op de devolutieve werking van het appel.
heeft toegelicht waarom in het akkoord de schuld aan Zorginstituut Nederland betreffende de achterstallige bronheffing niet is meegenomen. [appellante] heeft, onbestreden door Sluyter, aangevoerd dat deze schuld bij een akkoord geheel zal worden kwijtgescholden op grond van de toepasselijke beleidsregels van het CAK. Dat het Zorginstituut voor deze vordering vanaf juli 2016 derdenbeslag heeft doen leggen, is het gevolg van het feit dat het akkoord nog niet is geëffectueerd. Dat kan Sluyter, die niet heeft ingestemd met het akkoord, [appellante] uiteraard niet tegenwerpen. De wel op de schuldenlijst vermelde schuld aan het CAK van € 60,- betreft geen schuld vanwege achterstallige bronheffing, maar een schuld vanwege bijzondere zorgkosten, waarop de beleidsregels niet van toepassing zijn, zodat deze vordering, anders dan Sluyter betoogt, terecht in de schuldenlijst is opgenomen.
De slotsom is dat aannemelijk is dat het beschikbare saneringskrediet voorziet in een hoger bedrag voor de gezamenlijke schuldeisers dan voor hen na beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling (derhalve na drie jaren) ter beschikking zou zijn gekomen.
In geval van annulering, verbreking, ontbinding of gehele of gedeeltelijke niet-betaling, of in geval van prijsvermindering nadat de goederenlevering of dienst is verricht, wordt de maatstaf van heffing dienovereenkomstig verlaagd en ontstaat voor de ondernemer in zoverre recht op teruggaaf van de door hem voldane belasting.’ Na effectuering van het akkoord staat vast dat de restant vordering niet zal worden betaald. Er is dan ook sprake van niet-betaling in de zin van artikel 29 lid 1 Wet Pro OB. Nu vaststaat dat [appellante] niet meer kan betalen dan zij op grond van het akkoord betaalt, handelt Sluyter met het prijsgeven van een substantieel deel van haar vorderingen op [appellante] niet onzakelijk noch geeft zij daarmee een nog voor verwezenlijking vatbaar gedeelte van haar vorderingen prijs, zodat het enkele feit dat zij finale kwijting verleent niet in de weg staat aan haar recht op teruggave van BTW op grond van artikel 29 lid 1 Wet Pro OB (vgl. rechtbank Den Haag 30 augustus 2012, ECLI: NL: RBSGR:2012: BY0192).
2 punten, tarief II. In beide instanties is geen griffierecht verschuldigd. Het hof zal geen