Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak diende het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een verzoek tot schorsing van de procedure in hoger beroep te beoordelen, nadat de mannelijke procespartij was overleden. De advocaat van de man verzocht om schorsing op grond van artikel 225 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het hof wees dit verzoek af omdat artikel 225 Rv Pro specifiek betrekking heeft op dagvaardingsprocedures en niet op verzoekschriftprocedures zoals in deze zaak.
De reden hiervoor is dat in verzoekschriftprocedures de oproeping van belanghebbenden door de griffier gebeurt, waardoor de waarborgfunctie van artikel 225 Rv Pro niet aan de orde is. Het hof benoemde de erfgenamen van de overleden partij als belanghebbenden en verzocht partijen om binnen twee weken aan de griffie door te geven wie deze erfgenamen zijn.
De procedure werd verder aangehouden totdat duidelijkheid is verkregen over de erfgenamen, waarna het hof zal beslissen over de voortgang van de procedure. Alle overige beslissingen werden aangehouden. De beschikking werd uitgesproken door drie rechters en griffier in het openbaar op 18 mei 2017.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de procedure wordt afgewezen en de procedure wordt aangehouden totdat de erfgenamen zijn vastgesteld.