In deze strafzaak stond een jeugdige verdachte terecht voor meerdere zedendelicten gepleegd op een minderjarig meisje in de periode van augustus 2012 tot maart 2014. De tenlastelegging betrof onder meer seksueel binnendringen en ontuchtige handelingen. De officier van justitie had in eerste aanleg een veroordeling beoogd, maar in hoger beroep werd vrijspraak gevorderd.
Het hof heeft het bewijs zorgvuldig gewogen. De verklaring van het slachtoffer was op zichzelf duidelijk, maar de verklaringen van haar moeder en de vader van verdachte waren slechts gebaseerd op wat het slachtoffer hen had verteld en konden daarom niet als aanvullend bewijs worden beschouwd. De vermeende bekentenis van verdachte aan zijn vader en stiefmoeder werd als onvoldoende betrouwbaar beoordeeld vanwege de omstandigheden waaronder deze was afgelegd.
Verdachte ontkende de tenlastegelegde feiten stellig en verklaarde dat hij zich onder druk had gevoeld om te 'bekennen'. Het hof oordeelde dat er onvoldoende wettig bewijs was om het primair en subsidiair tenlastegelegde bewezen te verklaren en sprak verdachte daarom vrij.
De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd niet toegewezen en in hoger beroep niet gehandhaafd, zodat het hof daar niet aan toe kwam. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof deed zelf recht door verdachte vrij te spreken.