Belanghebbende en zijn echtgenote zijn vanwege verminderde mobiliteit verhuisd naar een huurwoning met een inpandige lift en huurden tevens een garage voor het stallen van vervoermiddelen. Belanghebbende wilde de huurkosten van de lift en garage als specifieke zorgkosten aftrekken in de inkomstenbelasting over 2014. De Inspecteur wees dit af, waarna belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ontvankelijk maar ongegrond.
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Hij voerde aan dat hij mocht vertrouwen op de aftrekbaarheid omdat eerdere aangiften over 2012 en 2013 niet waren gecorrigeerd en beriep zich op een besluit van de Staatssecretaris van Financiën dat uitgaven voor hulpmiddelen voor 2014 als specifieke zorgkosten kunnen worden aangemerkt.
Het hof oordeelde dat huurkosten niet onder het besluit vallen omdat het alleen ziet op aanschaf en afschrijving van hulpmiddelen, niet op huur. Ook was er geen sprake van een rechtens te honoreren vertrouwen op aftrekbaarheid, omdat de Inspecteur geen standpunt had ingenomen over eerdere jaren en belanghebbende dit niet had besproken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.