Belanghebbende, een autobedrijf met vergunning voor BPM, deed voor december 2012 aangifte zonder betaling. De Inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond, maar de rechtbank vernietigde deze uitspraak en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Belanghebbende vorderde toekenning van een dwangsom, vergoeding van immateriële schade en proceskosten.
In hoger beroep stond de vraag centraal of belanghebbende recht had op een dwangsom en vergoeding van werkelijke proceskosten. Het hof oordeelde dat bezwaar tegen niet-betaalde BPM kennelijk niet-ontvankelijk is, waardoor toekenning van een dwangsom niet mogelijk is. De vergoeding van immateriële schade van €500 werd onbetwist toegekend aan belanghebbende, te betalen door de Staat.
Verder wees het hof het verzoek om vergoeding van werkelijke proceskosten grotendeels af, behalve voor de beroepsmatige rechtsbijstand in hoger beroep (€495) en de kosten van een deskundige (€1.075). De Inspecteur werd tevens veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak werd openbaar gedaan op 30 mei 2017.