Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland die het ouderlijk gezag over haar twee minderjarige kinderen beëindigde en de gecertificeerde instelling (GI) tot voogd benoemde. De kinderen zijn sinds juli 2014 bij pleegouders geplaatst en verblijven daar in een stabiele en veilige omgeving.
De moeder betwistte de beëindiging van het gezag en stelde dat haar opvoedingsvaardigheden onvoldoende waren onderzocht. Het hof oordeelde echter dat op basis van de stukken en het verhandelde voldoende informatie aanwezig was om te beslissen. Uit het dossier blijkt dat de moeder functioneert op een licht verstandelijk beperkt niveau, onvoldoende in staat is haar leven zelfstandig te organiseren en de kinderen niet de benodigde veiligheid en geborgenheid kan bieden.
Er zijn ernstige zorgen over haar opvoedingscapaciteiten, waaronder het onvermogen om regels te stellen, onvoorspelbaar gedrag, en onvoldoende inzicht in de behoeften van de kinderen. Pogingen tot intensieve gezinsbegeleiding en een gezinsopname in een kliniek hebben niet geleid tot verbetering. De kinderen hebben baat bij stabiliteit en continuïteit, die de pleegouders bieden.
Het hof stelde dat het belang van de kinderen bij zekerheid en een ongestoord hechtingsproces zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij behoud van het gezag. De moeder blijft betrokken bij de kinderen en heeft recht op contact, maar het gezag wordt beëindigd om de ontwikkeling van de kinderen te beschermen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over de twee minderjarige kinderen en benoemt de gecertificeerde instelling tot voogd.