Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
JPF 2016/151).
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarig kind centraal, evenals de vraag of het kind geplaatst moest worden in een voorziening voor pleegzorg of in een netwerkpleeggezin bij de grootouders van moederszijde.
De moeder was het niet eens met de beslissing van de kinderrechter om het kind in een pleegzorgvoorziening te plaatsen en verzocht in hoger beroep om plaatsing bij de grootouders. De raad voor de kinderbescherming voerde verweer en stelde dat de moeder niet-ontvankelijk moest worden verklaard en dat plaatsing in het netwerkpleeggezin niet in het belang van het kind was vanwege de problematiek van de moeder en de ambivalente relatie met de grootouders.
Het hof oordeelde dat de moeder ontvankelijk was in haar verzoek en dat de beslissing tot plaatsing in een pleegzorgvoorziening voor hoger beroep vatbaar was. Het hof vond dat de raad onvoldoende had onderbouwd waarom plaatsing bij de grootouders niet mogelijk was, ondanks de emotionele spanningen tijdens een overleg. Het hof stelde dat de grootouders in staat zijn een stabiele en veilige opvoedingsomgeving te bieden, mede gezien de betrokkenheid sinds de geboorte en de hechtingsbehoefte van het jonge kind.
Daarom vernietigde het hof de bestreden beschikking voor zover deze betrekking had op de plaatsing in een pleegzorgvoorziening en verlengde de machtiging tot uithuisplaatsing met plaatsing in het netwerkpleeggezin bij de grootouders tot uiterlijk 21 juni 2017.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd met plaatsing in een netwerkpleeggezin bij de grootouders tot uiterlijk 21 juni 2017.