Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn ex-echtgenoten die in het kader van hun echtscheiding een convenant sloten waarbij appellant de woning en de hypothecaire lening overnam. Appellant is in gebreke gebleven met betaling aan de bank, waarop beslag is gelegd onder geïntimeerde. De voorzieningenrechter veroordeelde appellant tot betaling aan geïntimeerde van €3.547,81 plus rente.
Geïntimeerde legde executoriaal beslag op de bedrijfsauto van appellant. Appellant stelde in kort geding dat hij de vordering reeds contant had voldaan, onderbouwd met een handgeschreven verklaring en diverse getuigenverklaringen. Geïntimeerde betwistte de echtheid van de handtekening en de juistheid van de verklaringen.
Het hof oordeelde dat appellant de bewijslast draagt en dat de overgelegde verklaring onvoldoende bewijs oplevert, mede omdat de handtekening betwist is en geen deskundigenonderzoek mogelijk was in kort geding. Ook de overige verklaringen zijn onvoldoende concreet en overtuigend. Het hof wees het bewijsaanbod af en concludeerde dat appellant de vordering niet heeft voldaan.
Daarom is het beslag op de bedrijfsauto terecht gelegd en mag geïntimeerde deze executeren. Het belang van geïntimeerde om haar vordering te innen weegt zwaarder dan het gebruiksbelang van appellant. Het hof bekrachtigde het vonnis en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het gerechtshof bekrachtigt het vonnis dat het beslag op de bedrijfsauto handhaaft wegens onvoldoende bewijs van betaling door appellant.