Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Groningen(hierna: de Inspecteur)
(kenmerk Hof: 16/00228)
(kenmerk Hof: 16/00262)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende, een vennootschap met diverse deelnemingen, had in 2008 kosten gemaakt in verband met de voorgenomen verkoop van haar aandelen in een holdingmaatschappij. De Inspecteur had deze kosten grotendeels niet als aftrekbaar erkend. De Rechtbank had een deel van de kosten als aftrekbaar aangemerkt vanaf het moment dat concrete geïnteresseerden werden benaderd, gesteld op 1 juli 2008.
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de kosten pas aftrekbaar zijn vanaf het moment dat voldoende zekerheid bestond over het doorgaan van de verkoop, namelijk na de deadline voor het uitbrengen van definitieve biedingen op 19 december 2008. De Inspecteur stelde dat alle kosten vanaf het begin van het verkoopproces niet aftrekbaar zijn omdat er een redelijke verwachting was dat de verkoop zou doorgaan.
Het Hof oordeelde dat het begrip verkoopkosten niet beperkt moet worden opgevat en dat het voldoende is dat er een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de kosten en de beoogde verkoop van de deelneming, mits de deelneming uiteindelijk wordt verkocht. Onzekerheid over de uiteindelijke koper doet hier niet aan af. Het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2016 en eerdere jurisprudentie leiden niet tot een andere conclusie.
Het Hof verwierp het standpunt van de Inspecteur dat de kosten pas aftrekbaar zijn vanaf het moment van doorbelasting aan belanghebbende en oordeelde dat de kosten geacht moeten worden te zijn opgekomen op het moment van het verrichten van de werkzaamheden. Alle kosten die in het kader van het verkooptraject zijn gemaakt, stonden in rechtstreeks causaal verband met de uiteindelijke verkoop en zijn daarom niet aftrekbaar als verkoopkosten.
Het hoger beroep van de Inspecteur werd gegrond verklaard en dat van belanghebbende ongegrond, waardoor de uitspraak van de Rechtbank werd vernietigd. De aanslag werd gehandhaafd en het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Tevens werd het beroep van belanghebbende tegen de heffingsrente ongegrond verklaard en de proceskostenveroordeling gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt gegrond verklaard en dat van belanghebbende ongegrond, waardoor de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd en de aanslag gehandhaafd.