Uitspraak
kantoorhoudende te [plaats] .
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter Midden-Nederland van 11 mei 2015, waarin het beroep van betrokkene tegen een beslissing van de officier van justitie ongegrond werd verklaard. De gemachtigde van betrokkene stelde dat de officier van justitie ten onrechte geen termijn had gegeven om beroepsgronden in te dienen, wat een vormverzuim opleverde.
Het hof overwoog dat op grond van artikel 6:5 Awb Pro een beroepschrift de gronden van het beroep moet bevatten, en indien deze ontbreken, dient de indiener een termijn te krijgen om deze alsnog in te dienen, mits uitdrukkelijk verzocht. In deze zaak ontbraken de gronden in het administratief beroepschrift, en hoewel de gemachtigde om een termijn vroeg, werd deze niet gegeven.
De kantonrechter had geoordeeld dat ondanks dit vormverzuim de belangen van betrokkene niet waren geschaad omdat de gemachtigde de gronden bij de kantonrechter niet had gehandhaafd. Het hof bevestigde dit oordeel op grond van artikel 6:22 Awb Pro, dat een besluit ondanks schending van een vormvoorschrift in stand kan blijven als er geen nadeel is. Het verzoek tot vergoeding van kosten werd afgewezen omdat betrokkene niet in het gelijk werd gesteld.
Uitkomst: Het hof bevestigt de beslissing van de kantonrechter en wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.