De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de kinderrechter die een schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling (GI) bekrachtigde. De GI had op grond van artikel 1:265f BW een zorgregeling vastgesteld die het contact tussen de vader en het kind beperkte tot eenmaal per vier weken, onder begeleiding.
De vader verzocht de schriftelijke aanwijzing te laten vervallen of een hogere frequentie van contact vast te stellen. De GI en de moeder verzetten zich hiertegen en verzochten het hof het beroep niet-ontvankelijk te verklaren of af te wijzen.
Het hof oordeelde dat artikel 1:265f BW niet van toepassing was omdat het kind onder toezicht was gesteld en bij de moeder woonde, waardoor artikel 1:265g BW van toepassing is. De GI had daarom geen schriftelijke aanwijzing mogen geven die het contact beperkte, maar had de kinderrechter moeten verzoeken de zorg- en opvoedingstaken te verdelen.
Daarom vernietigde het hof de beschikking van de kinderrechter en verklaarde de schriftelijke aanwijzing van de GI vervallen. Het verzoek van de vader om een hogere bezoekregeling werd afgewezen omdat in hoger beroep geen zelfstandig verzoek kan worden gedaan. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.