ECLI:NL:GHARL:2017:7667

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 augustus 2017
Publicatiedatum
4 september 2017
Zaaknummer
21-006770-16-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80 SvArt. 577c Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schorsing voorlopige hechtenis voor ondergaan lijfsdwang

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het verzoek van verdachte om de voorlopige hechtenis te schorsen teneinde lijfsdwang te ondergaan. Verdachte was veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaar en zat in voorlopige hechtenis. Het hof overwoog dat lijfsdwang een dwangmiddel is bedoeld om betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel af te dwingen, en dat het Openbaar Ministerie grote vrijheid heeft in de uitvoering hiervan.

Het hof benadrukte dat het rechtskarakter van lijfsdwang wezenlijk verschilt van dat van voorlopige hechtenis en dat het niet kan treden in de executiebevoegdheid van het Openbaar Ministerie. Schorsing van voorlopige hechtenis om lijfsdwang te ondergaan is daarom niet mogelijk, tenzij vanaf het moment dat het Openbaar Ministerie de lijfsdwang daadwerkelijk uitvoert, maar daar is geen zicht op.

Daarnaast ontbrak het hof aan informatie over de wijze en plaats van tenuitvoerlegging van de lijfsdwang, waardoor niet kon worden beoordeeld of dit verenigbaar is met de strafvorderlijke belangen die met de voorlopige hechtenis worden gediend. Op grond van deze overwegingen wees het hof het verzoek af, met toepassing van de artikelen 80 en 577c Sv.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af.

Uitspraak

pkn: 21-006770-16 - 17
Het gerechtshof heeft te beslissen op een verzoek, vervat in een verzoekschrift van
1 augustus 2017, ingekomen ter griffie van het hof op 1 augustus 2017, namens de verdachte,
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
verblijvende in het huis van bewaring te Alphen aan den Rijn,
tot schorsing van het tegen die verdachte rechtens gegeven en nog van kracht zijnde bevel tot voortduren van de voorlopige hechtenis.
Het hof heeft gehoord in de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door
mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, in raadkamer van heden.

OVERWEGINGEN:

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft verdachte op 1 december 2016 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaar, met aftrek van het voorarrest. Het hof heeft op basis van dit vonnis bij beschikking van 11 januari 2017 de gevangenhouding van verdachte bevolen voor de duur van 120 dagen. De zaak is in hoger beroep aangebracht ter terechtzitting van 10 mei 2017. Het onderzoek is toen geschorst tot de terechtzitting van 31 juli 2017. Op laatstgenoemde terechtzitting is het onderzoek geschorst tot de terechtzitting van 17 oktober 2017.
Dit hof heeft bij beschikking van 2 mei 2015 aan het Openbaar Ministerie verlof verleend tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang tegen verdachte voor de duur van 1080 dagen. Verdachte verzoekt om de voorlopige hechtenis in de thans lopende strafzaak te schorsen zodat hij de lijfsdwang kan ondergaan.
Zoals het hof reeds in een eerdere beslissing heeft overwogen, is lijfsdwang bedoeld om de veroordeelde aan te sporen tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel over te gaan. Het Openbaar Ministerie is niet verplicht na verkregen verlof tot tenuitvoerlegging van de lijfsdwang of een deel daarvan over te gaan maar heeft een grote vrijheid om te bepalen of en zo ja, wanneer dit dwangmiddel wordt ingezet. Het rechtskarakter van lijfsdwang verschilt wezenlijk van dat van voorlopige hechtenis. Als voorlopige hechtenis rechter kan het hof niet treden in de executiebevoegdheid van het Openbaar Ministerie met betrekking tot de toepassing van lijfsdwang (in een andere zaak). Het hof kan de voorlopige hechtenis daarom niet schorsen teneinde die lijfsdwang te ondergaan, hoogstens zou het hof de voorlopige hechtenis kunnen schorsen met ingang van het moment dat het Openbaar Ministerie de lijfsdwang ten uitvoer zal leggen. Daar is geen enkel zicht op. Daarnaast heeft het hof geen zicht op de wijze waarop en de plaats waar deze lijfsdwang eventueel ten uitvoer zou worden gelegd, zodat niet kan worden bepaald of die tenuitvoerlegging te verenigen valt met de strafvorderlijke belangen die met voorzetting van de voorlopige hechtenis worden gediend. Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis zal daarom worden afgewezen.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikelen 80 e.v. en 577c van het Wetboek van Strafvordering.

BESLISSING:

Het hof wijst het verzoek af.
Aldus gegeven op 16 augustus 2017 door mr. E.A.K.G. Ruys, voorzitter, mr. A.H. Garos en mr. F.A.M. Bakker, raadsheren, in tegenwoordigheid van M. van Daalen, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.