Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Jeugdbescherming Noord,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van de vader tegen de beschikking van de kinderrechter die het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van zijn minderjarige kind heeft afgewezen. De moeder oefent het gezag uit en het kind woont bij haar. De vader erkende het kind, maar heeft geen gezag en heeft in eerste aanleg niet om verlenging van de ondertoezichtstelling verzocht.
Het hof stelt vast dat de vader niet als belanghebbende kan worden aangemerkt in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro, omdat hij geen gezag heeft en het kind niet verzorgt en opvoedt als behorend tot zijn gezin. Het hof verwijst naar een arrest van de Hoge Raad uit 2014 dat bevestigt dat alleen de gezagsouder of degene die het kind verzorgt en opvoedt belanghebbende is in ondertoezichtstellingszaken.
De vader voerde aan dat de ondertoezichtstelling nauw samenhangt met een zaak over omgangsregeling waarin hij wel hoger beroep heeft ingesteld, maar dit leidt volgens het hof niet tot een ander oordeel over zijn ontvankelijkheid. Ook het argument dat de niet-gezagsouder wel om verlenging zou moeten kunnen verzoeken wordt door het hof verworpen, omdat de wet en parlementaire geschiedenis dit niet voorzien.
Het hof verklaart de vader daarom niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. De beschikking is op 26 september 2017 uitgesproken door het hof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Vader zonder gezag is niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen afwijzing verlenging ondertoezichtstelling.