ECLI:NL:GHARL:2017:8753

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 oktober 2017
Publicatiedatum
10 oktober 2017
Zaaknummer
16/00517
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.17 Wet IB 2001
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over aftrek specifieke zorgkosten en woningaanpassing in inkomstenbelasting 2011

Belanghebbende maakte aanspraak op aftrek van specifieke zorgkosten in de inkomstenbelasting over 2011, waaronder aanzienlijke kosten voor woningaanpassing. De Inspecteur wees deze aftrek af en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde belanghebbende dat de woningaanpassing noodzakelijk was vanwege een medische aandoening.

Het hof oordeelde dat de verklaring van de huisarts onvoldoende specifiek was om te spreken van een medisch voorschrift dat de aftrek zou rechtvaardigen. De verklaring gaf slechts aan dat een woningaanpassing op termijn te verwachten was, maar niet dat deze in 2011 noodzakelijk was of welke aanpassingen medisch vereist waren. Hierdoor kon de aftrek van de woningaanpassing niet worden toegekend.

Verder stelde het hof vast dat belanghebbende geen bewijs had geleverd van overige specifieke zorgkosten boven de standaard aftrek voor kleding en beddengoed. De aftrek bleef daardoor onder de drempel en werd afgewezen. Wel werd het hoger beroep gegrond verklaard voor zover het de vermindering van het belastbaar inkomen en de heffingsrente betrof, waardoor de aanslag werd verminderd.

Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, en bepaalde dat de Inspecteur het betaalde griffierecht aan belanghebbende moest vergoeden. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 10 oktober 2017.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en vermindert de aanslag wegens onterecht afgewezen aftrek specifieke zorgkosten en heffingsrente.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer 16/00517
uitspraakdatum: 10 oktober 2017
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 31 maart 2016, nummer AWB 15/1363, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Enschede(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is over het jaar 2011 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van € 58.795. Bij beschikking is heffingsrente berekend.
1.2.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2017 door de zevende enkelvoudige belastingkamer. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.
1.6.
Bij brief van 19 april 2017 heeft het Hof het onderzoek heropend om belanghebbende in de gelegenheid te stellen nadere stukken te overleggen en de behandeling van de zaak verwezen naar de derde meervoudige belastingkamer.
1.7.
Belanghebbende heeft, na daartoe verleend uitstel, bij brief van 14 september 2017 gereageerd op de onder 1.6 genoemde brief.
1.8.
Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 27 september 2017. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2011 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van € 34.016. In de aangifte heeft belanghebbende een negatief inkomen van [A] opgenomen van € 1.500 en € 350 verzekeringspremie, (€ 900 - € 500 =) € 400 scholingsuitgaven en (€ 25.750 - € 3.221 =) € 22.529 aan specifieke zorgkosten in aftrek gebracht. De specifieke zorgkosten zijn als volgt in de aangifte gespecificeerd:
Uitgaven voor woningaanpassingen € 25.000
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed €
750
Specifieke zorgkosten vóór verhoging € 25.750
Af: drempel €
3.221
Aftrekbaar € 22.529
2.2.
Tot de gedingstukken behoren kopieën van facturen voor de verbouwing van de woning van belanghebbende.
2.3.
Tot de gedingstukken behoort een kopie van een brief van de huisarts van belanghebbende van 27 april 2017. Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Bij deze verklaar ik dat bovenstaande patiënt in het jaar 2004 om medische redenen kon zien aankomen dat hij vanwege zijn aandoening op enig moment een woning aanpassing zou moet gaan financieren.”

3.Geschil

In geschil is of belanghebbende recht heeft op aftrek wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten. Tussen partijen is niet langer in geschil dat sprake is van een negatief loon van € 1.050 en dat belanghebbende recht heeft op aftrek van € 900 scholingsuitgaven (vóór aftrek van de drempel).

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Tussen partijen is niet langer in geschil dat het belastbaar inkomen uit werk en woning moet worden verminderd met € 1.050 wegens negatief loon. Het inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek bedraagt dan € 57.745. Daarnaast moet rekening worden gehouden met € 400 (€ 900 - € 500) wegens scholingsuitgaven.
4.2.
De bewijslast voor de door belanghebbende gevraagde aftrek wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten rust op belanghebbende. De uitgaven zijn aftrekbaar indien en voor zover zij een drempel overschrijden van € 3.267 (€ 642 + 5,75% x (€ 57.745 (drempelinkomen) + € 26.868 (drempelinkomen partner) - € 38.955)). Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende recht heeft op de standaardaftrek wegens extra uitgaven voor kleding en beddengoed van € 300. Belanghebbende maakt aanspraak op aftrek van € 25.000 voor de aanpassing van de eigen woning en voert voorts aan dat hij uitgaven heeft gedaan voor medische hulpmiddelen (zoals een spalk) en extra uitgaven voor kleding en beddengoed heeft gedaan die de standaardaftrek van € 300 te boven gaan.
4.3.
Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001, worden aanpassingen van een woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid daarvan, die vanwege een functiebeperking op medisch voorschrift zijn aangebracht, voor zover de aanpassingen niet leiden tot een waardevermeerdering van de woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid daarvan welke uitgaat boven tien procent van de op de belastingplichtige drukkende aanpassingskosten, tot de specifieke zorgkosten gerekend. Het Hof is van oordeel dat een medisch voorschrift ontbreekt. De onder 2.3 aangehaalde verklaring van de huisarts is onvoldoende specifiek wat betreft tijdstip, aard en omvang van de benodigde aanpassingen. Uit deze verklaring kan weliswaar worden afgeleid dat een woningaanpassing voor belanghebbende om medische redenen sinds 2004 voorzienbaar was, maar niet dat de aanpassing in 2011 moest plaatsvinden. Uit de verklaring kan evenmin worden afgeleid welke woningaanpassingen in verband met de aandoening van belanghebbende nodig waren. De verklaring is meer een indicatie voor de lange termijn, een waarschuwing, dan een voorschrift. Reeds vanwege het ontbreken van een medisch voorschrift komen de uitgaven voor de aanpassing van de eigen woning niet voor aftrek in aanmerking. Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd over de aftrekbaarheid van de uitgaven voor de aanpassing van de eigen woning behoeft geen bespreking.
4.4.
Belanghebbende heeft niets overgelegd waaruit uitgaven voor overige, voor aftrek in aanmerking komende specifieke zorgkosten blijken. Belanghebbende heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat hij uitgaven voor specifieke zorgkosten heeft gedaan naast de tussen partijen overeengekomen extra uitgaven voor kleding en beddengoed van € 300. Dit betekent dat de uitgaven wegens specifieke zorgkosten beneden de drempel van € 3.267 blijven en dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek wegens deze uitgaven.
4.5.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de heffingsrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de aanslag betreft.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, bepaalt het Hof dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt.
Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,
– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,
– vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.345,
– vermindert het verzamelinkomen tot € 57.345,
– vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig,
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 45 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 124 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A.I. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is op 10 oktober 2017 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (A. van Dongen)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 10 oktober 2017
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH DEN HAAG.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.