Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[de bewindvoerder] B.V.
2.[de zus] ,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
5.Positie van de neef
zie HR 12 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2665, NJ 2014/482.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep van een vrouw die ambtshalve onder curatele en vervolgens onder bewind is gesteld wegens haar geestelijke gesteldheid. De kantonrechter had de ondercuratelestelling opgeheven en een onderbewindstelling ingesteld. De vrouw verzet zich tegen deze onderbewindstelling.
In het hoger beroep heeft de neef van de vrouw zich als belanghebbende gemeld, maar het hof stelt vast dat hij geen belanghebbende is in de zin van artikel 798 Rv Pro, omdat de zaak niet rechtstreeks zijn rechten of verplichtingen raakt en hij niet tot de bloedverwanten behoort die als belanghebbenden worden aangemerkt.
Het hof verwijst naar jurisprudentie die onderscheid maakt tussen personen die een verzoek kunnen indienen en degenen die als belanghebbenden worden beschouwd. De neef heeft geen verzoek tot bewind ingesteld en kan daarom niet als belanghebbende worden betrokken in het hoger beroep.
Het hof besluit dat de neef niet betrokken wordt bij de procedure en dat er een afzonderlijke beslissing zal volgen over het hoger beroep van de vrouw tegen de onderbewindstelling.
Uitkomst: De neef wordt niet als belanghebbende erkend en niet betrokken in het hoger beroep tegen de onderbewindstelling.