Belanghebbende was eigenaar van een woning in de gemeente Duiven en werd geconfronteerd met een aanslag afvalstoffenheffing over 2014. De gemeente had de aanslag gebaseerd op een verordening die een opbrengstlimiet van 100% voorschrijft. Hoewel de begroting uitkwam op een kostendekkendheid van 100%, bleek uit de gerealiseerde cijfers dat de opbrengsten de kosten met ruim 12% overschreden.
De rechtbank Gelderland vernietigde de aanslag omdat de opbrengstlimiet was overschreden, waarna zowel belanghebbende als de heffingsambtenaar hoger beroep instelden. Het hof oordeelde dat de opbrengstlimiet moet worden beoordeeld aan de hand van de begrote baten en lasten, maar dat de begroting van de gemeente niet redelijk was omdat de gemeente jarenlang structureel overschotten had gerealiseerd die niet waren verwerkt in een egalisatiereserve of tot verlaging van tarieven hadden geleid.
Het hof verklaarde het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk omdat het beroep hem niet in een betere positie kon brengen dan de vernietiging door de rechtbank. Het hoger beroep van de heffingsambtenaar werd ongegrond verklaard, waarmee de vernietiging van de aanslag werd bevestigd. De heffingsambtenaar werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.