ECLI:NL:GHARL:2017:9713

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 november 2017
Publicatiedatum
8 november 2017
Zaaknummer
16/01081 t/m 16/01083
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:109 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens te late griffierechtbetaling

Belanghebbende stelde tijdig hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland. Het griffierecht voor het hoger beroep werd echter te laat betaald, waarna het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaarde. Belanghebbende stelde verzet in tegen deze beslissing.

Tijdens de zitting werd vastgesteld dat belanghebbende een verzoek tot uitstel van betaling van het griffierecht had verzonden, maar dat dit verzoek niet was ontvangen door het Landelijk Dienstencentrum of het hof. Het hof achtte aannemelijk dat het verzoek wel was verzonden, maar door een onduidelijke oorzaak niet was aangekomen.

Het hof oordeelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was omdat het risico van het niet ontvangen verzoek niet voor rekening van belanghebbende mocht komen. Bovendien had belanghebbende het griffierecht binnen de door haar verzochte uitsteltermijn betaald. Daarom werd het verzet gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vernietigd en de behandeling van de zaak hervat.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring vernietigd en de zaak hervat.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer 16/01081 tot en met 16/01083
uitspraakdatum:
7 november 2017
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het
VERZETvan
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende)

1.De uitspraak waarvan verzet

Het verzetschrift van belanghebbende is ter griffie van het Hof ontvangen op 15 mei 2017. Het richt zich tegen de met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedane uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer van dit Hof, verzonden op 4 april 2017, op het hoger beroep van belanghebbende. Een kopie van die uitspraak, waarbij belanghebbendes hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard, is aan deze uitspraak gehecht.

2.Behandeling van het verzet

2.1
Tot de stukken waarop het Hof bij de beoordeling van het verzet acht slaat behoren onder meer het hogerberoepschrift en het verzetschrift van belanghebbende.
2.2
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2017 te Arnhem. De echtgenoot van belanghebbende is daar verschenen alsmede haar gemachtigde drs. [A] .
2.3
Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

3.De vaststaande feiten en de gronden van het verzet

3.1
Belanghebbende heeft bij brief van 23 augustus 2016, binnengekomen bij het Hof op 24 augustus 2016, tijdig hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 19 juli 2016, zaaknummers AWB 13/8004 tot en met 13/8006.
3.2
Bij aangetekende brief van 23 november 2016, gericht aan het bij het Hof bekende adres van belanghebbendes gemachtigde, heeft de griffier belanghebbendes gemachtigde herinnerd aan de verschuldigdheid van het griffierecht ten bedrage van € 124 ter zake van het hoger beroep. In deze brief is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen 4 weken na verzending van de brief, dat wil zeggen vóór 21 december 2016, moet zijn bijgeschreven op de in die brief vermelde bankrekening. Daarbij is in de brief erop gewezen dat bij niet-tijdige betaling het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
3.3
Het voor het hoger beroep verschuldigde griffierecht is op 1 februari 2017 door belanghebbende voldaan.
3.4
Bij de in verzet bestreden uitspraak van de derde enkelvoudige kamer van dit Hof is belanghebbendes hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht te laat is betaald.
3.5
In het verzetschrift heeft belanghebbende – voor zover hier van belang – aangevoerd dat haar echtgenoot bij brief van 15 december 2016, gericht aan het in de brief van 23 november 2016 (zie 3.2) genoemde adres van de Rechtspraak, Landelijk Dienstencentrum te Utrecht, heeft verzocht om uitstel van betaling van het griffierecht tot 15 februari 2017. Belanghebbende heeft een kopie van de bedoelde brief meegezonden.
3.6
Noch bij het genoemde Landelijk Dienstencentrum, noch bij het Hof is omstreeks 15 december 2016 een brief als bedoeld in 3.5 binnengekomen.

4.Beoordeling van het verzet

4.1
Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb in samenhang met het bepaalde in artikel 8:109, eerste lid, letter a, van de Awb, wordt van de indiener natuurlijk persoon van een hogerberoepschrift door de griffier een griffierecht geheven.
4.2
Artikel 8:41, vijfde en zesde lid, van de Awb schrijven voor dat indien het geheven griffierecht niet binnen de daarvoor gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven of gestort, het beroep niet-ontvankelijk is, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.3
Belanghebbende heeft het griffierecht niet tijdig betaald.
4.4
De gemachtigde heeft ter zitting van het Hof een schriftelijke verklaring overgelegd die door belanghebbende is opgesteld en waarin zij verklaart dat zij de enveloppe met de in 3.5 bedoelde brief (en twee gelijkluidende afschriften, gericht aan de gemachtigden van haar en haar echtgenoot) op 15 december 2016 ter post heeft bezorgd. De echtgenoot heeft dit ter zitting van het Hof nader toegelicht en verklaringen afgelegd over de financiële toestand van hem en zijn gezin in de periode dat het griffierecht moest worden voldaan.
4.5
Het Hof acht voldoende aannemelijk dat de in 3.5 bedoelde brief is verzonden. Het staat echter ook vast dat die brief niet bij de Rechtspraak is binnengekomen en derhalve evenmin in behandeling is genomen. De onzekerheid daaromtrent en omtrent de afloop van het verzoek van belanghebbende tot uitstel van betaling mag in dit geval naar ’s Hofs oordeel niet voor risico van belanghebbende blijven.
4.6
Het Hof kan niet uitsluiten dat aan het verzoek van belanghebbende, zo het in behandeling zou zijn genomen, op enigerlei wijze zou zijn tegemoetgekomen of dat belanghebbende, bij afwijzing daarvan, nog een korte termijn zou zijn gegund voor de betaling van het griffierecht aan welke termijn belanghebbende mogelijk had kunnen voldoen, dan wel, gelet op de datum waarop belanghebbende het griffierecht heeft betaald, zou hebben voldaan.
4.7
Onder deze omstandigheden is het niet onredelijk dat belanghebbende de betaling van het griffierecht opschortte totdat op haar verzoek zou zijn beslist. Belanghebbende heeft ook binnen de termijn van het door haar verzochte uitstel het griffierecht betaald.
4.8
Op grond van het vorenstaande komt het Hof tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is en dat in redelijkheid niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim was. Het verzet is gegrond. De uitspraak van de derde enkelvoudige kamer moet worden vernietigd en de behandeling van de zaken moet worden hervat in de stand waarin zij verkeerden ten tijde van het doen van die uitspraak.

5.Kosten

Het Hof zal bij de behandeling van de hoofdzaak beslissen over het verzoek tot vergoeding van de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof:
- verklaart het verzet gegrond,
- vernietigt de uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer, en
- bepaalt dat de zaken worden voortgezet in de stand waarin die zich bevonden ten tijde van het doen van de uitspraak door de derde enkelvoudige belastingkamer.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, mr. R.A.V. Boxem en mr. N. Djebali, in aanwezigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is op
7 november 2017in het openbaar uitgesproken.
De griffier,
(J.H. Riethorst)
(J.P.M. Kooijmans)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 8 november 2017
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH Den Haag.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.