Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanmaningskosten parkeerbelasting en kreeg dit deels gelijk van de heffingsambtenaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het verzet van belanghebbende werd gegrond verklaard, waarbij de rechtbank de proceskostenvergoeding op €501 vaststelde.
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen de hoogte van deze proceskostenvergoeding. Het hof oordeelde dat de rechtbank de vergoeding te laag had vastgesteld omdat er twee proceshandelingen waren verricht: het beroepschrift en het verzetschrift. Het hof verhoogde de vergoeding naar €563,63 voor deze handelingen.
Daarnaast veroordeelde het hof de heffingsambtenaar in de proceskosten van het hoger beroep van €187,88 en bepaalde dat het betaalde griffierecht van €126 aan belanghebbende wordt terugbetaald. De uitspraak is openbaar gedaan op 27 november 2018 door het hof in Arnhem.