ECLI:NL:GHARL:2018:10533

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 december 2018
Publicatiedatum
4 december 2018
Zaaknummer
WAHV 200.205.450
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbWet openbaarheid van bestuurWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring en beoordeling snelheidsovertreding

Betrokkene stelde beroep in tegen een administratieve sanctie wegens een snelheidsovertreding van 12 km/u buiten de bebouwde kom. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift geen gronden bevatte en de gemachtigde dit niet binnen de gestelde termijn herstelde.

Het hof constateert dat de gemachtigde niet tijdig is geïnformeerd over het ontbreken van gronden, waardoor het verzuim niet kon worden hersteld. Daarom vernietigt het hof de niet-ontvankelijkverklaring en beoordeelt het de beslissing van de officier van justitie.

De gemachtigde voerde aan dat de verbalisant mogelijk niet bevoegd was en dat de snelheidsmeting onbetrouwbaar was. Het hof oordeelt dat de bevoegdheid van de verbalisant niet in twijfel wordt getrokken omdat geen stukken zijn overgelegd die dit aantonen. De snelheidsmeter was geijkt en de verklaring van de verbalisant wordt als voldoende bewijs gezien.

Het hof verklaart het beroep tegen de snelheidsovertreding ongegrond, wijst het beroep tegen de officier van justitie gegrond wegens schending van de hoorplicht en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van € 501,-.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring wordt gegrond verklaard en het beroep tegen de snelheidsovertreding ongegrond; proceskosten worden toegewezen.

Uitspraak

WAHV 200.205.450
4 december 2018
CJIB 188566245
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam
van 26 oktober 2016
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [A] ,
voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,
kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.
Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Bij fax van 7 oktober 2018 is nog een brief van de gemachtigde binnengekomen. Deze is de advocaat-generaal in afschrift toegezonden.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift geen gronden bevat en de gemachtigde dit verzuim niet binnen de daarvoor gegeven termijn heeft hersteld.
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij voert hiertoe aan dat hij de verzuimbrief, waarbij de gemachtigde in de gelegenheid wordt gesteld alsnog de gronden van het beroep in te dienen, niet heeft ontvangen.
3. In artikel 6:5, eerste lid, sub d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat een beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Indien niet voldaan is aan dat vereiste, kan het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
4. Het hof stelt vast dat het beroepschrift van 25 juli 2015 geen gronden bevat. Bij brief van 25 november 2015 is de gemachtigde gewezen op dit verzuim en in de gelegenheid gesteld uiterlijk 29 december 2015 alsnog gronden in te dienen. Nu deze brief niet aangetekend is verzonden en een deugdelijke verzendadministratie ontbreekt, kan niet worden vastgesteld dat deze brief daadwerkelijk is verzonden. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld om het verzuim te herstellen. De kantonrechter heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen. Het hof zal de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
5. De gemachtigde voert aan dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden. De betrokkene heeft verzocht om te worden gehoord en van een kennelijk ongegrond beroep was geen sprake omdat de officier van justitie nader onderzoek heeft verricht.
6. Het hof stelt vast dat de betrokkene een verzoek om te worden gehoord in administratief beroep op juiste wijze heeft gedaan en dat zich geen andere uitzonderingsgevallen voordoen. Het hof zal op basis van deze grond - in het licht van bestendige, bekende en daarom niet nader te bespreken vaste rechtspraak van het hof op dit punt - het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren tegen de beslissing van de officier van justitie geen bespreking meer.
7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 96,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met 12 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 29 maart 2015 om 01:04 uur op de N492, Groene Kruisweg, ter hoogte van hectometerpaal 1.9, te Rhoon met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
8. De gemachtigde voert aan dat onvoldoende is gebleken dat de verbalisant daadwerkelijk bevoegd was om op te treden. De stukken die het CJIB beschikbaar heeft gesteld op de website aangaande deze verbalisant zijn vrijwel allemaal geheel geschoond van namen en/of ondertekeningen. Op deze wijze is niets meer controleerbaar, immers kan niet worden nagegaan of er namens of door de bevoegde personen is ondertekend. De gemachtigde verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2883) en het arrest van het hof van 25 mei 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:4776). Aan het ontbreken van dergelijke gegevens moet het gevolg worden verbonden dat de bevoegdheid van de verbalisant niet vaststaat tenzij die bevoegdheid door het openbaar ministerie alsnog wordt geadstrueerd.
9. De sanctie is opgelegd door een bij het CJIB werkzame buitengewoon opsporingsambtenaar. Anders dan in het door de gemachtigde genoemde arrest van het hof van 25 mei 2018 heeft de gemachtigde hier volstaan met de opmerking dat de stukken die het CJIB beschikbaar heeft gesteld op de website aangaande deze verbalisant vrijwel allemaal geheel zijn geschoond van namen en/of ondertekeningen. De gemachtigde heeft de betreffende stukken niet overgelegd, noch aangegeven om welke stukken het gaat en welke informatie is geschoond. Deze stelling geeft geen aanleiding te twijfelen aan de bevoegdheid van de verbalisant. Dat op grond van de Wet openbaarheid van bestuur de namen en ondertekening mogelijk openbaar hadden moeten worden gemaakt, doet hier niet aan af. Dit betekent dat de officier van justitie niet gehouden is deze bevoegdheid nader te adstrueren.
10. Verder verwijst de gemachtigde naar hetgeen de betrokkene in zijn administratief beroepschrift heeft aangevoerd. De betrokkene voert aan dat er door politieagenten een controle werd opgezet. Anticiperend op deze onduidelijke en verwarrende verkeerssituatie heeft de betrokkene zijn snelheid drastisch geminderd. Vervolgens kreeg hij de aanwijzing door te rijden. Gelet op de afstand van het parkeerterrein waar de controle werd opgezet, ter hoogte waarvan hij de aanwijzing kreeg, tot aan de flitspaal, is het onrealistisch om vanuit een stapvoetse snelheid de flitspaal te passeren met een snelheid van 65 km/uur. Dit sterkt het vermoeden van de betrokkene dat er wellicht op een ander moment een meting heeft plaatsgevonden. Verder voert de gemachtigde aan dat niet is vast komen te staan dat de snelheidsmeting deugdelijk is uitgevoerd. De snelheidsmeter is op 19 februari 2015 en op 9 april 2015 geijkt. Normaliter is een dergelijke keuring 12 maanden geldig. Zonder nadere toelichting, welke in het dossier ontbreekt, kan niet worden uitgesloten dat het meetresultaat van de meetopstelling die op 19 februari 2015 bij nader inzien niet voldeed. Voor de zeer korte periode gelegen tussen de opeenvolgende keuringen is immers geen behoorlijke verklaring gegeven en deze is bovendien wel heel ongebruikelijk kort.
11. In zaken betreffende de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
12. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:
“De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van een voor de meting getest, geijkt en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel.
Gemeten (afgelezen) snelheid: 65 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 62 km per uur.
Toegestane snelheid: 50 km per uur.
Overschrijding met: 12 km per uur.
De overtreding werd geautomatiseerd vastgelegd door middel van geijkte radarapparatuur welke is gemonteerd in een flitspaal.”
13. De verbalisant heeft verklaard dat de werkelijke snelheid is vastgesteld met behulp van een voor de meting getest, geijkt en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde aanvoert geen reden hieraan te twijfelen. Uit de overlegde ijkrapporten blijkt dat zowel op 19 februari 2015 als op 9 april 2015 (enkele dagen na de pleegdatum) onderzoek is gedaan en is vastgesteld dat de snelheidsmeter voldeed aan de Concept voorschriften meetmiddelen politie. Nu bij beide onderzoeken is vastgesteld dat het snelheidsmeetmiddel was geijkt, geeft het enkele feit dat binnen twee maanden opnieuw is geijkt, het hof geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de snelheidsmeting.
14. Uit de verklaring van de verbalisant blijkt dat de betrokkene op het moment van de meting (na correctie) 65 km/uur reed. De betrokkene stelt hiertegenover dat hij niet op het moment van meting al 65 km/uur kon rijden, omdat hij even daarvoor stapvoets reed. Dit betreft in feite niet meer dan een ontkenning dat de betrokkene 65 km/uur heeft gereden. Het hof ziet hierin geen reden te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Gelet op het voorgaande kan op basis van de verklaring van de verbalisant worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
15. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.
16. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 501,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 501,-.

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond, en vernietigt deze beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 501,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.