Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
1.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van 4 juli 2016,
- de memorie van grieven (met producties),
- de memorie van antwoord.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Deze zaak betreft het hoger beroep van de weduwe van een verzekerde tegen ASR Levensverzekering N.V. inzake een geweigerde uitkering onder een levensverzekering. De verzekerde overleed binnen één jaar na het tot stand komen van de overlijdensdekking, waarna ASR zich op de Carenz-clausule beriep, die uitkering uitsluit indien overlijden binnen dat jaar te verwachten was. De Toetsingscommissie Gezondheidsgegevens had op verzoek van ASR geconcludeerd dat het overlijden redelijkerwijs te verwachten was, waarop ASR de uitkering weigerde.
De weduwe betwistte dit oordeel en bracht medische second opinions in die twijfel zaaiden over de prognose van de verzekerde bij aanvang van de verzekering. Het hof oordeelde dat het oordeel van de Toetsingscommissie niet kan worden aangemerkt als bindend advies of vaststellingsovereenkomst, zodat de weduwe niet gebonden is aan dat oordeel. Het hof stelde dat ASR de bewijslast draagt om te bewijzen dat het overlijden te verwachten was.
Gezien de tegenstrijdige medische opinies besloot het hof een onafhankelijke deskundige te benoemen om te onderzoeken of het overlijden binnen een jaar na het aangaan van de overlijdensdekking redelijkerwijs te verwachten was. De zaak werd aangehouden voor nadere procedure en deskundigenbericht.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat het oordeel van de Toetsingscommissie geen bindend advies is en benoemt een deskundige om te beoordelen of het overlijden binnen een jaar na het aangaan van de overlijdensdekking te verwachten was.