Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De motivering van de beslissing
4.De slotsom
5.De beslissing
22 januari 2019voor memorie van antwoord;
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele procedure stond een vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad centraal, ingesteld door [appellante] B.V. tegen [geïntimeerde] B.V. De zaak betrof een koopovereenkomst van 800 zonnepanelen, waarbij een deel van de factuur onbetaald was gebleven. De rechtbank had de hoofdsom toegewezen en de uitvoerbaarverklaring bij voorraad gegeven.
[Appellante] verzocht in hoger beroep om schorsing van deze uitvoerbaarverklaring en om zekerheidstelling, stellende dat zij in financiële nood zou verkeren en een restitutierisico liep. Het hof oordeelde dat de rechtbank geen gemotiveerde beslissing had gegeven over de uitvoerbaarverklaring, waardoor de belangenafweging volgens vaste jurisprudentie moest plaatsvinden.
Het hof stelde vast dat het belang van [geïntimeerde] bij onmiddellijke betaling van de geldsom in beginsel zwaarder woog dan het belang van [appellante] bij schorsing. [Appellante] had onvoldoende inzicht gegeven in haar financiële situatie en het restitutierisico onvoldoende onderbouwd, mede gelet op de kredietwaardigheid van [geïntimeerde].
Daarom wees het hof zowel de schorsingsvordering als de vordering tot zekerheidstelling af en veroordeelde [appellante] in de kosten van het incident. De hoofdzaak werd verwezen naar de rol voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het hof wees de vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring en de vordering tot zekerheidstelling af wegens onvoldoende onderbouwing.