Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het geschil betreft de wijziging van de kinderalimentatie tussen partijen die in 2006 zijn gescheiden en gezamenlijk gezag uitoefenen over twee minderjarige kinderen. De man was op grond van eerdere afspraken en een akte van kwijtscheldingen verplicht kinderalimentatie te betalen, waarbij een verrekenperiode van zeven jaar was afgesproken.
De vrouw stelde dat een niet-wijzigingsbeding in de akte was overeengekomen, waardoor de alimentatie niet gewijzigd mocht worden, en betwistte de zorgkorting van 25% die de rechtbank had toegepast. De man voerde aan dat het niet-wijzigingsbeding alleen betrekking had op de verrekenperiode en dat na afloop daarvan een nieuwe beoordeling mogelijk was. Tevens betwistte hij de stelling van de vrouw over de zorgkorting.
Het hof oordeelde dat partijen geen niet-wijzigingsbeding in de zin van artikel 1:159 lid 3 BW Pro waren overeengekomen en dat na de verrekenperiode de beschikking van 29 oktober 2008 weer van kracht werd, waardoor wijziging mogelijk was. Ook was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de zorgkorting van 25% onjuist was, omdat de omgangsregeling niet structureel minder dan gemiddeld twee dagen per week was. De grieven van de vrouw faalden en de bestreden beschikking werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking die de kinderalimentatie vanaf 19 juli 2017 op nihil stelt en wijst de grieven van de vrouw af.