In deze zaak staat de vraag centraal of de zoon van de pachter als medepachter kan worden aangemerkt en of de pachtovereenkomst ontbonden kan worden wegens tekortkomingen. De appellant stelt dat de pachter zijn rechtsvoorganger heeft bewogen tot het aangaan van een reguliere pachtovereenkomst terwijl deze geestelijk niet in orde was, en dat er diverse tekortkomingen zijn die ontbinding rechtvaardigen.
Het hof overweegt dat onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat de pachter jegens zijn rechtsvoorganger onoorbaar heeft gehandeld. De omstandigheden rond de totstandkoming van de overeenkomst, waaronder de vermeende verminderde wilsbekwaamheid van de rechtsvoorganger, zijn niet voldoende onderbouwd. Ook is vastgesteld dat de zoon voldoende opleiding en ervaring heeft om als medepachter te functioneren.
Verder zijn de aangevoerde tekortkomingen, zoals het tijdelijk ontbreken van zeggenschap in de maatschapsakte, het telen van mais op grasland, het laten weiden van paarden van derden zonder toestemming en de aanwezigheid van onkruid en slootafval, onvoldoende zwaarwegend om ontbinding van de pachtovereenkomst te rechtvaardigen. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis waarin de zoon als medepachter is aangemerkt en wijst de ontbindingsvordering af.