Belanghebbende kreeg voor 2007 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd door de Inspecteur, die bezwaar ongegrond verklaarde. De rechtbank vernietigde deze aanslag deels en matigde de heffingsrente. De Inspecteur stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Tijdens het hoger beroep werd vastgesteld dat de Inspecteur niet kon aantonen dat belanghebbende was uitgenodigd tot het doen van aangifte, waardoor de bewijslast niet kon worden omgekeerd. Desondanks maakte de Inspecteur aannemelijk dat belanghebbende een hoger inkomen had genoten dan opgegeven, onder meer door een uitgebreid boekenonderzoek en analyse van bankmutaties.
Het Hof oordeelde dat de Inspecteur voldoende bewijs leverde dat belanghebbende zijn omzet en privévoordelen niet volledig had aangegeven. Belanghebbende erkende dat hij geen recht had op hypotheekrenteaftrek wegens verhuur van zijn woning. Het Hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en bevestigde de aanslag en heffingsrente van de Inspecteur.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, maar er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen. De uitspraak werd openbaar gedaan op 20 februari 2018.